Homepage

Altijd dierendag 

Het is zo’n herfstachtige dag, die niet echt uitnodigt om naar buiten te gaan. Hoewel een boswandeling bijna altijd goed te doen is, kan het ook geen kwaad om ons binnen aan onze hobby’s over te geven. Dit betekent dat mijn levensgezellin haar schildersplekje opgezocht heeft. Ik mag even een blik werpen op haar voorlopige resultaten en zie een paar ganzen met jongen tot leven komen. Dat doet mij denken aan het dorp waar ik opgroeide. Met die gedachte ga ik naar mijn eigen werkkamer om plaats te nemen achter de computer. Met een rustig muziekje op de achtergrond laat ik mijn jeugdherinneringen opkomen en probeer die voor u als lezer vast te leggen.

In dat dorp, aan de rand van de Biesbosch, kocht mijn vader een voormalige boerderij, zo’n twintig meter vanaf de dijk. In streektaal werd het hier ‘De Haai’ (Heide) genoemd. In het huis was nog duidelijk te zien dat het water hier tijdens de watersnoodramp in 1953 heel hoog had gestaan. Jarenlang werkte pa er aan en creëerde voor het hele gezin een heerlijk woonoord. Extra interessant doordat er naast ons nog een boerderij in originele staat was.
Maar ook het grote erf rondom ons eigen huis was heel boeiend, met een groente- en bloementuin, fruitbomen en altijd liepen er allerlei kleine dieren rond. Als kind was het dus vooral genieten geblazen, met volop speelmogelijkheden.

Op tienerleeftijd werd er langzamerhand verwacht dat je een handje mee ging helpen. Want dat gras en die brandnetels bleven maar groeien. Ook de kippen, eenden, konijnen, fazanten en ander kleinvee bleven maar mest produceren. In het najaar kwamen daar de appels en peren bij, die geplukt moesten worden.

Onder het vele kleinvee dat wij thuis rond hadden lopen, waren ook enkele dieren die speciaal aan mijn zorg waren toevertrouwd. Daartoe behoorde een stel witte muizen, wat een tijdje goed ging. Tot ze zich echter vrij snel uitbundig gingen vermeerderen. Feitelijk werd hun hok te klein, er ontstonden ziektes en ze gingen elkaar opeten. Op een gegeven moment werd pa het zat. Hij nam het hele hok op en liep er mee naar de Boezem (de waterloop achter ons huis). Daar hield hij het hele geval net zolang onder water, tot man en muis – sorry, alleen de muizen – verdronken waren.  Verder hadden we een tijdje marmotten (later in Dieren trouwens ook, hoewel we ze toen cavia’s noemden). Eigenlijk veel leuker dan muizen, want je kon er ook mee knuffelen. Je moest ze natuurlijk wel op tijd mesten en zorgen voor voldoende eten en drinken. Pa had hiertoe onder meer een hokje met een buitenren gemaakt. Maar ook marmotten zijn sterk in het zorgen voor nageslacht. Dat betekende dat we nogal eens jongen moesten zien te verkopen of gewoon maar weggaven. Voor de zuiverheid van het ras, hield ik zelfs een tijdje een stamboom bij. Jaren later trof ik nog een schema aan van een bont vrouwtje en een wit mannetje. Ze kregen dat jaar vijf maal gezinsuitbreiding en dat leverde een kroost van totaal 17 marmotjes op.      

Op een zaterdag in oktober was aan mij de eer de eenden te ‘kortwieken’.  Dat wil zeggen dat ik bij elke eend een stukje veren van een vleugel moest knippen, waardoor ze niet weg konden vliegen. Ze liepen gewoonlijk vrij los op een omheind terrein. Maar door te ontsnappen, zorgden ze al een tijdje voor overlast bij de buren. Het was even uitproberen hoe dat het handigste kon worden aangepakt. Gelukkig kreeg ik assistentie van vriend Kees, die nogal eens bij ons aankwam. We besloten uiteindelijk alle eenden te vangen en in een groot hok te verzamelen. Daar ‘opereerde’ ik ze één voor één, waarna Kees ze losliet. Het bleek dat we er totaal 56 stuks onder handen kregen en daarna was een wasbeurt voor onszelf dringend nodig. 

Voor de oudere lezers onder u is het waarschijnlijk niet onbekend dat vele mensen op het platte land ook altijd hun eigen varken hadden. Heel handig voor het huishoudelijk afval. Maar ook het onderkomen van zo’n beest moest natuurlijk regelmatig schoongemaakt worden. En wanneer dan ongeveer het juiste gewicht bereikt was, werd er een afspraak gemaakt met de slager. Bij sommige mensen gebeurde het slachten thuis, wij mochten ons ‘product’ zelf bij de slager afleveren. Dat betekende ’s morgens heel vroeg – naar mijn gevoel in het holst van de nacht- uit bed. Oude kleren aan en samen met mijn vader ons varken op een vrachtwagentje zien te krijgen. Dat lukt niet altijd zonder kleurscheuren en in elk geval voorzien van de nodige agrarische geuren. Eenmaal ter plaatse afgeleverd, konden we ons thuis gaan opfrissen en vervolgens wachten op de verschillende onderdelen van het vlees. Dat werd opgeborgen in een oude diepvries en daarmee konden wij weer een hele tijd vooruit.

Overigens: dat opeten van je eigen huisdieren was natuurlijk niet altijd even leuk. Je groeide er wel mee op en met name bij kippen en konijnen werd geprobeerd zo mogelijk je lievelingsdieren te sparen. Het slachten van die kleinere dieren deed mijn vader overigens zelf, vaak mocht ik daarbij een handje helpen. Ik moet daar nu niet meer aan denken. Ik ben geen vegetariër, maar vlees smaakt toch beter als het geen herkenbare vorm meer heeft.  

Zo zal een ieder eigen herinneringen aan dierendag hebben en het is soms wel eens leuk om te bezien hoe je gedachten daarover zich in de loop van jaren kunnen ontwikkelen.    

 

 

 

 

Met hartelijke groet,

Joop Sanner

 

 

 

 

 



Comments are closed.