Homepage

                                      Een tevreden roker  

Kun je je zo iemand nog voorstellen, zo’n ‘tevreden roker’?  Meestal is er het beeld van een persoon die gehaast een sigaretje opsteekt, misschien daar wel mee wil stoppen, maar het niet kan. Of een bengelend sigaartje in de lippen van een werkman, die dat ongemerkt tot as  wordt verwerkt. 
Maar er is meer in het geding. De algemene opinie heeft stelling genomen tegen het roken. Werd aanvankelijk aangetoond dat het slecht voor de roker is, later werd de nadruk met succes meer op de omgeving die “meerookte” gelegd. Dit resulteerde uiteindelijk in een rookverbod in openbare gebouwen en, na een lange discussie, in de open lucht op openbare plaatsen zoals stations en in cafés.
‘In het geding’ is ook de titel van een boek van John Grisham, waarin twee partijen zich opmaken voor de belangrijkste rechtszaak in de tabaksindustrie, het proces tegen de vier grootste producenten van tabakswaren. De uitkomst zal bepalend zijn voor de toekomst van de hele industrie. Een jongeman in de jury speelt daarbij een belangrijke rol. Ik zal die uitkomst niet verklappen, maar de inhoud zet je op z’n minst aan het denken. Grisham is trouwens een uitmuntend auteur en zijn werk is zeer aan te bevelen. Spannend en informatief.

Een en ander herinnert mij aan de tijd dat ik zelf met plezier een pijpje opstak. Ik was 19, volgde een avondopleiding in Dordrecht en kocht daar op een keer bij een tabakszaak een pijp en een pakje tabak. Echt lekker was het in het begin niet, de blaren stonden op m’n tong. Maar het stond wel stoer. Misschien heeft ook meegespeeld dat mijn oudere broer pijp rookte. Kort daarna liet ik in militaire dienst mijn baard groeien en bij elkaar zorgde dat wel voor een eigen image.
   Ik had van Douwe Egberts een korte handleiding voor de pijproker. Daarin stond: “Welke pijp moet een beginnende pijproker kopen? Het klinkt vreemd maar bij aanschaf is de beginnende pijproker in het voordeel boven de gevorderde. Hij hoeft immers maar aan één ding te denken en dat is: het zichzelf zo gemakkelijk mogelijk maken. Het advies is om in eerste instantie een zo eenvoudig mogelijke pijp te nemen van een goede kwaliteit. Een pijp met een rechte steel, van een gebruikelijke lengte en bij voorkeur voorzien van een luchtreguleringssysteem.”
   Ik hield me niet aan dit advies, want ik kocht een eenvoudige, kromme pijp zonder luchtregulering. Die was een stuk goedkoper en daarmee wilde ik eerst maar eens uitproberen of ik het wat vond. Blijkbaar wel, want ik hield het meer dan dertig jaar vol, met verschillende pijpen weliswaar.
   In dezelfde handleiding stond ook dat pijproken een van de verfijndste geneugten van het leven is. Echter niet alleen genot, maar ook een kunst. Een zaak van doorzettingsvermogen en geduld. De beginnende roker zal zich met het eigenzinnige karakter van de pijp moeten verzoenen.
   Van de verkoper hoorde ik dat een nieuwe pijp eerst ingerookt moest worden. “Een spannende bezigheid,” zegt de handleiding, “want het is ook de eerste kennismaking met de nieuwe pijp.” Volgens de verkoper moest de pijp eerst een nacht in suikerwater worden gezet. Dat was al de eerste tegenvaller, want het liefst had ik er natuurlijk meteen de brand in gestoken. Vervolgens mocht de pijp voor niet meer dan ongeveer 1/3 worden gevuld en leeg gerookt. Dat stelde eigenlijk niet veel voor; dat beetje tabak was zo opgerookt. Na drie of vier keer kon de pijp voor 2/3 worden gestopt en ‘opgerookt’.
   Na dit ook een paar keer te hebben gedaan, is de pijp voorzien van een dunne koollaag aan de binnenkant van de pijpenkop. Deze koollaag beschermt het hout tegen de hitte en neemt het vocht op dat bij de verbranding vrijkomt. Helaas ontstaat er geen beschermlaagje op je tong, zodat die intussen al behoorlijk gehavend is. Volgens de handleiding wordt een pijnlijk spreekinstrument veroorzaakt doordat de pijp te heet wordt gerookt, of vuil is. Toegegeven dient te worden dat onrust van de pijproker ook als mogelijke oorzaak aangevoerd kan worden, dat wil zeggen: niet zorgvuldig gestopt of te snel gerookt.
   Een ander probleem waar menig beginnende pijproker mee te maken krijgt is het nat roken, of pruttelen. Zijn de speekselklieren eenmaal onder controle, worden alle voorschriften in acht genomen en is door veel oefening voldoende vaardigheid verkregen, kan er in meerdere of mindere mate van deze bezigheid worden genoten. Daarbij moet het regelmatig schoonmaken uiteraard niet worden vergeten. Het genieten begint feitelijk al met het stoppen, een gezellige huiselijke bezigheid, die vaak met enige verbazing door de toeschouwer wordt gadegeslagen. Voor het aansteken van de pijp is de eenvoudige lucifer het meest geëigende instrument. Daarmee wordt vaak meteen duidelijk of alle spelregels in acht zijn genomen, want bij een gebrek blijkt het heel moeilijk de brand er in te krijgen. In het begin kost dit dozen vol lucifers en is de neiging groot een gasaansteker ter hand te nemen, dit met het risico dat bij een onjuiste afstelling er het effect van een vlammenwerper ontstaat en beschadiging van je mooie pijp niet uitgesloten is. Wanneer de eerste indrukwekkende rookwolk het luchtruim heeft gekozen, dan is het zaak zich over te geven aan de rustgevende werking van het rookgenot. Intussen dient de roker er wel voor te zorgen dat zijn vuurtje regelmatig blijft branden. Af en toe een keer een rustig trekje. Zo nodig de licht opzwellende en krullende tabak voorzichtig met een pijpstampertje aandrukken. Ook dit pijpbestek oogst nogal eens bewondering van het toekijkende publiek. En dooft het vuur op een bepaald moment toch, dan geen paniek. Desgewenst een beetje losse as verwijderen en opnieuw de vlam er in.
   “Zo’n mooie pijp vormt een harmonieuze samenhang met het karakter van haar eigenaar en met diens uiterlijk.” Deze stelling in de handleiding is voor de pijproker wel herkenbaar, deels ook wel voor zijn omgeving.
   In het begin rookte ik “Voortrekkers”, een zogenaamde “Baaitabak”, langdradig en relatief snel brandend. Later ging ik over op voornamelijk “Amphora Rood”, een mixture met een gearomatiseerde melange, die sterker/lekkerder ruikt en langzamer brand. De optimistische handleiding stelt: “De beginnende pijproker mag zich verheugen op oneindig veel plezierige momenten. Hij begint immers aan een hobby die heerlijk is en zeer veel gevarieerde kanten kent.” Hoewel overdreven, heb ik er inderdaad wel genoeglijke momenten aan beleefd. Maar mijn omgeving oordeelde daar toch wel eens anders over. Nadat het pijproken vooral in de beginjaren wel interessant stond en sommige mensen de aromatische tabak lekker vonden ruiken, vonden anderen het maar vies of hadden er zelfs last van. Onze kinderen baalden er van als we in de auto zaten en de bestuurder zijn geurende rookwolken om hen heen verspreidde. Ook irritant vonden zij – alsmede vaak ook hun moeder – dat er na elk bakje koffie en na elke maaltijd een pijp opgestoken moest worden. Voor hun vader was dat feitelijk een verlenging van het culinaire genot, maar voor hen onnodig tijdrekken.

Uiteindelijk waren voornoemde argumenten niet doorslaggevend om de pijp voorgoed te laten uitgaan. Tandvleesperikelen noopten mij tot overgave. Langzamerhand heb ik het roken afgebouwd. Eerst geen pijpje meer op het werk en bij anderen en daarna thuis rustig m’n tabak voorraad opmaken. Begin mei 2001 ging mijn laatste pijptabak in rook op.
Daarna waren er nog best moeilijke momenten, maar eigenlijk voel ik mij de laatste jaren een heel tevreden niet-roker.

Met de groeten van  
Joop Sanner



Comments are closed.