Homepage

                                        Jeugdvriend   
Aquarel Ans Sanner

Op zijn negentiende vertrok Carel Dijkeman naar Suriname. Hij kreeg een goede baan en trouwde. Alles prima. Bijna twintig jaar later wilde hij zijn vaderland nog eens terugzien. 

Ze arriveerden op Schiphol, maakten wat toeristische uitstapjes. Daarna bezochten ze het dorp waar hij z’n jeugd had doorgebracht. Slechts een paar oude aan de expansiedrift ontkomen huizen wekte een herinnering op, die voor het verdere verblijf bepalend zou worden. In een van die huizen woonde vroeger schoolvriend Paul Steversen.
Op aanwijzing van een oude vrouw kwam Carel bij Arjan Linders terecht. Een aardige vent van rond de dertig, die Paul als jeugdleider had gekend. “Een beetje vreemd verhaal,” vertelde hij. “We hadden ergens een jeugdkamp. Op een avond raakten we Paul en een leidster kwijt. Daarna heb ik nooit meer iets van ze vernomen.”
   “Zijn jullie hen dan niet wezen zoeken?” vroeg Carel.
   Arjan haalde zijn schouders op. “Dat zal vast wel, maar ik weet er weinig meer van.”
   Ze dronken koffie, terwijl Arjan een oud plakboek tevoorschijn haalde.
   Carel herkende Paul meteen, naast een knap meisje van eenzelfde leeftijd.
   “Het was in Noord-Limburg; mooie omgeving. Bent u er ooit geweest?” stelde Arjan zijn geheugen verder op de proef.  Dat was Carel niet en opeens kwam het idee naar voren om er samen heen te gaan. De mannen gingen op weg. Beide echtgenotes gaven de voorkeur aan een dagje winkelen.

Arjan stuurde zijn auto de volgende dag door het zwak golvende Limburgse land. Vanachter het groen dook een witte vakwerkboerderij op. “Als ik mij niet vergis, stonden op het weiland daarachter onze tenten. We aten in een zijvleugel van de boerderij,” wees hij. “Vóórdat we een bosspel zouden gaan doen, waren we een beetje met Paul aan het stoeien en ik geloof dat hij daarna aan de leidster vroeg, die je op de foto zag, of zij de omgeving al had verkend. Wij liepen met hen mee.”
   In de toegangspoort van de boerderij verscheen nu een hevig blaffende herdershond, die hen deed besluiten maar niet het erf op te lopen.
   “Waar gingen jullie toen heen?” vroeg Carel.
   “Via een klinkerpad en een geasfalteerde weg naar het dorp. Met de kerk in het centrum.”
   “Zullen we daar heenrijden?” stelde Carel voor.

De statige kerk paste keurig op de kleine, er omheen liggende huizen. Arjan parkeerde de auto op het kerkplein. Het was lang geleden dat Carel in een godshuis was geweest. Hij vond het imposant, een aparte sfeer, met een aangename stilte.
Hij zag Arjan naar een biechthokje lopen. Dat herinnerde Carel zich nog wel, dat zo’n ding zo heette. Arjan schoof een gordijntje opzij en gluurde naar binnen.  “We waren met een paar jongens in zo’n hokje gekropen. Er was gedrang en waarschijnlijk maakten we te veel herrie, want Paul kwam er aan. Een van de jongens viel tegen de houten achterwand, die tot onze verbazing langzaam open schoof. Een smalle gang werd zichtbaar. We waren snel van de schrik bekomen en liepen er meteen in.”
Arjan voelde aan de achterwand. Niets bijzonders te ontdekken. “We slingerden door een wirwar van gangen en stonden opeens buiten. Toen we door de hoofdingang de kerk weer ingingen, waren Paul en de leidster nergens meer te bekennen. Vast naar het kamp, dachten we en we zijn na een poosje zelf teruggelopen.”
   Carel begon zich een beetje af te vragen in hoeverre hij dit verhaal serieus moest nemen.
   “Het is ook al weer zo lang geleden,” zei Arjan, alsof hij zich wilde verontschuldigen.
   Bij het altaar keken ze naar een stompje kaars, waarvan de vlam wanhopig probeerde zich staande te houden. Al flakkerend zoog hij het laatste kaarsvet op, om uiteindelijk voor altijd te doven.

  “Zullen we eens in het café gaan kijken of er iets te eten is,” stelde Carel voor.
In afwachting van een uitsmijter dronken ze een abdijbiertje en maakten een praatje met de waard. “Ik hoor aan uw spraak dat u niet uit de buurt komt,” merkte de man op.
   “Heeft mijn dialect nu weer verraden dat ik uit Suriname kom?” reageerde Carel.
  De waard keek hem even schuin aan. “Nee hoor, dat niet en eerlijk gezegd had ik dan ook een ander kleurtje verwacht.”
   “Zo te horen bent u zelf ook geen echte Limburger,” zei Arjan.
   “Hebt u helemaal gelijk in; ik woon hier pas acht jaar.”
   Mocht er nog een restje herinnering aan een jeugdkamp in dit dorp bestaan, dan waren ze bij deze man dus vast niet op de goede plaats. Niettemin vertelde Arjan dat hij hier twintig jaar geleden op vakantie was geweest. “We hadden een tentenkamp bij die witte vakwerkboerderij even buiten het dorp.”
   “Sinds ik hier woon, zijn daar geen kampeerders meer geweest,” vertelde de waard. “Er komen wel fietsers langs, en wandelaars die vanaf het plein hier langs het landgoed naar het bos lopen.”
   Ze dronken nog een kop koffie, voordat ze besloten buiten een stukje rond te lopen. Bij het afrekenen vroeg Carel of het landgoed ook toegankelijk was.
   “Nee, daar schijnt een of andere instelling te zitten, maar ik geloof niet dat er iemand uit het dorp werkt of er contacten mee heeft.”

Ze volgden de gemarkeerde paaltjes van een wandelroute en bereikten zo het landgoed. Vanaf hun pad aanschouwden ze het bijbehorende Huis, een wit gepleisterd gebouw, en een vijver met een fontein. Even voor hen wipte een merel een paar takken hoger in een boom, om daar zijn lied te vervolgen. Waarschijnlijk dat Carel het daarom zag. “Misschien zie ik spoken,” zei hij zacht, “maar ik dacht een jongensgezicht in die oude eik te zien.”
   Arjan volgde zijn blik. Nu zagen ze toch duidelijk takken bewegen en een schim net boven de tuinmuur uitkomen. Er klonk gegrinnik, toen zei een hoog jongensstemmetje: “Ik ben geen spook hoor; zijn jullie bang?”
   “Een beetje wel, als wij je niet goed kunnen zien,” antwoordde Arjan. “Kun je niet even omlaag komen?”
   “Maar de muur is veel te hoog.”
   “Als je je voorzichtig omlaag laat zakken, vangen wij je samen wel op.”
   “Maar ik mag niet buiten de muur komen.”
   “O, wij zullen niets verklappen hoor. We vinden het wel leuk om even een praatje met je te maken. Daarna kun je via mijn schouders weer gewoon naar boven klimmen.”
Het was geen jongetje dat zich omlaag liet zakken, maar een jonge man van rond de twintig. Terwijl hij een beetje schaapachtig stond te lachen, keken zij hem verbijsterd aan: ze zagen een exacte kopie voor zich van de foto uit het plakboek van Arjan.
  “Paul?” riepen de mannen bijna gelijktijdig uit.
   “Nee, ik ben Ferdinand. Paul is ons vader.”
   “Wonen jullie hier?”
   “Zekers.” Het was aandoenlijk hoe de zwakbegaafde jongen hen om de beurt aankeek.
   “En zouden wij bij jullie op bezoek mogen komen?” probeerde Carel.
   “Dan moet je bij meneer Andreas zijn, bij de poort. Maar nu moet ik weer terug hoor, anders krijg ik op m’n kop.”
Ze hielpen hem omhoog. Toen hij verdwenen was, bleven ze even aarzelend staan.
   “Ik weet niet goed wat ik er van moet denken,” verbrak Arjan de stilte.
   “Nee,” bevestigde Carel, “maar we kunnen op z’n minst eens even informeren.”

Ze belden aan bij de poort van het witte landhuis. Een streng kijkende vrouw liet hen binnen. Carel vroeg haar vriendelijk of hij meneer Andreas kon spreken. Dat was niet mogelijk.
   “Is meneer Stevens er dan?” probeerde Arjan.
   “Waarover gaat het?”
   “Wij zijn oude kennissen van meneer Stevens en zijn speciaal uit Suriname gekomen om hem te ontmoeten.”
Na enige aarzeling pleegde ze een telefoontje en mompelde ze: “Oké, u kunt meekomen.”
   Ze werden binnengelaten in een steriele kamer, waar een fragiele gestalte in hagelwitte kleding opstond vanachter een glazen bureau. Vermoedelijk een wat oudere man, voorzien van  een gezichtsmasker. “Ik ben Andreas. U wilde mij spreken?” vroeg hij met een ietwat zangerige stem.
   “Ja, graag,” zei Carel, terwijl hij zijn hand uitstak om een slechts een flauw handdrukje in ontvangst te kunnen nemen. “Mijn naam is Carel Dijkeman en kom uit Suriname. Ik heb ik begrepen dat mijn oude schoolvriend Paul Steversen hier woont en zou hem graag spreken voor ik weer terugreis.”
   De ander keek hem zwijgend aan. Toen reageerde hij:  “Ik vraag me af wat jeugdvrienden elkaar te bieden hebben, als ze twintig jaar geen contact hadden.”
   “Hoe weet u dat wij geen contact hadden?”
   “Dat zal ik u laten zien.” Langzaam bracht hij zijn magere handen omhoog en verwijderde het masker…
   Verbaasd zagen Carel en Arjan het ingevallen gelaat van Paul voor zich.
   “Wat?” riep Carel uit. “Ben jij Andreas?”
   “Nee,” antwoordde hij zacht. “Die is vier jaar geleden overleden. Maar ik heb zijn missie overgenomen.” Na een korte pauze vervolgde hij: “Arjan heeft je waarschijnlijk al verteld dat wij hier twintig jaar geleden in de buurt een jeugdkamp hadden. Ik ging destijds met collega Wendy en enkele kinderen een kijkje nemen in de kerk. Via een schuifwand in een biechthokje kwamen we in een gangenstelsel. We raakten de kinderen kwijt en kwamen zelf uiteindelijk in dit Huis terecht.
We ontmoetten er Andreas, de man die dit masker droeg. Zijn gezicht was in zijn kinderjaren door een brand afschuwelijk verminkt. Dat was de reden om zich te specialiseren in verschillende kloontechnieken. Het therapeutische pad beoogde verschillende lichaamscellen te produceren, onder meer om zijn gezicht stukje bij beetje weer toonbaar te maken. Hij dreigde Wendy iets aan te doen als we niet mee wilden werken aan zijn wetenschappelijk onderzoek.”
   Hij zweeg een poosje, tot Carel hem voorzichtig aanspoorde: “En het andere pad?”
   “Dat was gericht op reproductie. Zeg maar de voortplanting van mensen, waarbij de goede of gewenste eigenschappen vastgelegd worden. Inmiddels hebben we met het klonen van baby’s al heel goede resultaten geboekt. We werken nu aan het klonen van volwassen mensen. In de toekomst willen we de persoonlijkheid van mensen te gaan downloaden in een gekloond lichaam.”
   Hij keek Carel triomfantelijk aan, terwijl die z’n best deed om zijn afschuw te verbergen. “Ik begrijp dat jij en Wendy in dit onderdeel een belangrijke rol vervulden. Hoe is het trouwens met haar?”
  “Heel goed, dank je. Ze heeft een aantal moeilijke jaren gehad want niet alles ging vanzelf. Je hebt Ferdinand ontmoet; dat is nog het minst erge wat kan gebeuren.”
   “Maar waarom doen jullie dit?” liet Arjan zich ontvallen.
   “Kijk eens om je heen: van deze wereld niets terecht is gekomen. Waar wij voor staan, is de ontwikkeling van een androgyne mens in dienst van zijn planeet. Zo’n in goede harmonie gecreëerde mens zal tot volledige geestelijke bloei kunnen komen, die niet onderdoet voor …”
   Paul werd onderbroken door een piepje vanuit zijn borstzak. Het bleek een gewoon mobieltje, waarnaar hij even luisterde en toen zei: “Oké, ik kom.” En tegen hen: “Ik heb helaas een spoedgeval.”
   “Dan willen wij je niet langer ophouden van je drukke werkzaamheden,” reageerde Carel.
   Paul zuchtte en spreidde zijn handen. “Het zij zo. Ieder kiest de weg die hij juist acht. Ik wens jullie een veilige terugreis en jou en Priscilla veel geluk in Suriname.”

“Misschien moeten we dit allemaal maar zo snel mogelijk weer vergeten,” zei Carel buiten. Even later stond hij midden op het wandelpad stil.
   “Is er iets?” vroeg Arjan, terwijl hij zijn hand op Carel’s arm legde.
   “Waarschijnlijk niet, maar ik bedacht opeens dat ik zeker weet hem niet de naam van mijn vrouw genoemd te hebben.”

 

Goede feestmaand
en
groet,

Joop

                             

 



Comments are closed.