Homepage

Over dieren in Dieren 
Haakwerk Ans Sanner

Geboeid keek de man door het treinraam naar een vijftal zwijnen dat aan de rand van de Zuidelijke Veluwezoom stond te wroeten. Dit is een van de extra’s op dit spoortraject, bedacht de reiziger. Regelmatig kun je er wild waarnemen, dat zich even aan het bos onttrekt. Grazende reeën, spelende konijnen en aan de andere zijde ganzen in de uiterwaard of een groep paarden langs de rivier.
Wat de man niet zag, was de kleine kever die zich op de kraag van zijn jas bevond. Nella, een lieveheersbeestje dat zat uit te rusten van haar verwoede pogingen bij het raam een uitgang te vinden.
“Beste reizigers,” klonk het via de omroepinstallatie, “we naderen thans station Dieren.”
Twee meisjes tegenover de naar buiten kijkende man gniffelden: “Hier moeten alle dieren uitstappen.”
“Dan zal ik maar opstaan,” reageerde de man en passeerde de nu rood aanlopende tieners.
Ook Nella ging verheugd mee naar buiten. Terwijl de man naar de fietsenstalling liep, lichtte zij haar helrode dekschilden met de zeven zwarte stipjes en vloog naar de beukenhaag langs het spoor. Eigenlijk waren het vier stippen op elk schild, maar de twee middelste leken net één grote stip. Maar dit even terzijde.
Nella had geluk, ze vond een flink stel vette bladluizen, waar ze dol op was. Na er een aantal verorberd te hebben, kwam ze een beetje op krachten. Terwijl zij voldaan haar lippen aflikte, streek er op het perron naast haar een duif neer.
“Neem mij niet kwalijk, meneer,” zei Nella meteen. “Mag ik u iets vragen?”
“Tuurlijk,” reageerde de vogel, terwijl hij drie keer met zijn kop jaknikte.
“Waarom heet deze plaats eigenlijk Dieren? Ik zie hier vooral mensen voorbijkomen.”
De duif aarzelde even, voor hij antwoordde: “D’r zijn ook best veel dieren. Even verderop tref je het bekendste dier van het dorp.”
Volgens zijn instructies volgde Nella het spoor, ging bij de overgang linksaf en daalde neer voor een groot gebouw aan de rechterkant. Voorzichtig landde ze op de lange horens van een groen uitgeslagen gazelle. Die kon haar niet vertellen waarom hij zo belangrijk was en daarom koos Nella na een korte rustpauze opnieuw het luchtruim.

Ditmaal streek zij neer op de fraai gekleurde muts van een fietsster. Die nam haar ongemerkt mee naar een winkelcentrum, stopte bij een supermarkt en schrok toen er opeens een lieveheersbeestje vlak voor haar langs vloog. Nella kreeg nu een jonge ijsbeer in het vizier, die vragend naar zijn stenen moeder opkeek. Een tweede jong zat er mijmerend een eindje vandaan. De ijsbeermoeder leek een veilige landingsplaats. Vandaar keek Nella om zich heen en ontdekte haar evenbeeld in het groot op een nachthemd in de etalage van een kledingwinkel. Ze stond op het punt dat eens van dichterbij te gaan bekijken, toen ze opeens vlak naast zich hoorde: “Zo, jij ziet er uit om op te eten.”
Een koolmees keek haar met een schuin kopje belangstellend aan.
“Ga weg, engerd. Je weet toch dat ik heel onaangenaam smaak,” reageerde Nella. “Is het daarom, dat dit dorp Dieren heet?”
Het vogeltje wipte een stukje opzij. “Ik zie zo gauw het verband niet, maar ik weet wel dat het iets verderop ‘Diderna’ heet. Mijn naam is trouwens Herman. Volg me maar.”
Hij nam haar mee naar een pleintje vlak voor een gebouw vol boeken. In het midden van dat plein bevond zich een paardje met opgeheven staart.
“Ik hoop niet dat dit dier zo dadelijk iets laat vallen,” grapte de koolmees. “Overigens, wanneer je het leuk vindt, weet ik nog wel meer van dergelijke rijdieren te staan.”
Voor Nella iets kon zeggen, ging hij haar al voor naar de hoek van de Thorbeckestraat. Daar was een grijs, stenen paard te bewonderen, dat keek naar een steigerend exemplaar schuin aan de overkant van het kruispunt. Er kwam net een vrouw met een jongetje aanlopen. “Oma,” hoorden ze dat jongetje zeggen, “is het niet een beetje zielig voor dat paardje, om alleen in de tuin te moeten staan?”
Nella en Herman vonden dat wel boeiend. “Maar toch is dit nog geen antwoord op mijn vraag,” merkte het lieveheersbeestje op.
Herman floot een kort deuntje. “O ja, die naam. Weet ik eigenlijk niet. Ik ben wel bekend met de vogelbuurt. Kom maar mee.”
Weer gingen zij samen op pad. Ditmaal naar een kunstwerk in de vorm van drie rechtopstaande vleugels, die een groot plantsoen markeerden.
“In deze buurt is zelfs een straat naar mij genoemd,” begon Herman trots. Voor hij echter meer kon vertellen, verscheen een groep rumoerige kraaien. Nella tuimelde van de schrik omlaag en haar metgezel besloot vlug een ander plekje te zoeken. Het duurde even voordat Nella weer stevig op haar zes pootjes stond. Toen klauterde ze omzichtig via een grashalm omhoog. Bij het zien van een rijke hoeveelheid heerlijke bladluizen was het leed snel vergeten. Helaas duurde de pret niet lang, want ze werd opeens belaagd door een stel mieren, wiens kudde zij blijkbaar aan het consumeren was. Met moeite wist zij te ontkomen en even later landde ze in een bloembak op een plein. Door al die toestanden zou ze haast de missie vergeten die zij zichzelf opgelegd had. Maar de komst van een roodborst op de rand van de bloembak deed haar weer de vraag stellen: “Weet u misschien waarom dit dorp Dieren heet?”
“Nou, nee,” was het antwoord, “maar als ik je een advies mag geven…”
“Heel graag, alstublieft.”
“Wanneer je voorzichtig dat kruispunt daar oversteekt tref je een eindje verder een gebouw aan waar veel senioren wonen. Die zijn vast zo wijs, dat ze je kunnen helpen.”
Nella bedankte de vriendelijke vogel en volgde de aangegeven richting. Inmiddels begon ze behoorlijk moe te worden en ze bemerkte dat het ook aan de frisse kant was. Tijd om een rustplaats te zoeken. In de tuin van Zorgcentrum Beverode vond zij een geschikt plekje, waar zij uitgeput neerstreek.

Wanneer jullie dit lezen, is het charmante kevertje vast al aan haar winterslaap begonnen. Maar als iemand in het voorjaar een zevenstippelig lieveheersbeestje ziet en het antwoord weet op haar vraag, wil je het haar dan zeggen?

Groeten uit Dieren, 

Joop Sanner



Comments are closed.