Homepage

Doolhof   

Het begon met een gevecht tussen twee jongens van groep zeven. Ton, de grootste, liep in de pauze te klieren op het schoolplein. Bas, de kleinste, stond onopvallend aan de kant, tot hij merkte dat Ton in de buurt was van Tamara.
Bas vond Tamara het leukste meisje van de klas. Ze kwam uit Syrië, had een donkere huid en lang zwart haar, met vaak één lok voor haar bruine ogen. Wanneer ze lachte, verscheen in allebei haar wangen een kuiltje. Bas was nogal verlegen, hij had zelden met Tamara gepraat, maar nu die grote pestkop in haar buurt kwam, was hij paraat. “Nou, ik ben het helemaal met die Donkers eens,” hoorde hij Ton zeggen.
“Wat bedoel je?” vroeg Frans, die nooit naar het jeugdjournaal keek.
“Die minister vindt dat er hier teveel buitenlanders zijn. Wij zouden een heleboel vluchtelingen naar huis kunnen sturen, zodat er minder Nederlanders zonder werk zijn.”
Bas zag dat Tamara rood werd. Dat spoorde hem aan te zeggen: “Misschien kunnen ze beter eerst alle lange Nederlanders met een grote mond wegsturen.”
Even werd het stil. Toen vroeg Ton: “Wou je iets, kleintje?”
“Als je denkt dat ik bang voor je ben, vergis je je,” reageerde Bas stoer.
Glimlachend kwam Ton dichterbij en boog naar voren. Dom, want nu kwam de vuist van Bas recht op zijn neus terecht. Ze rolden vechtend over de grond. Lang duurde dat niet, want meester Hendriks greep beide kemphanen in de kraag.
“Jammer,” riep een van de kinderen. “Nu weten we niet wie er gewonnen heeft.”
Bas en Ton moesten die middag schoolblijven. De rest van groep zeven bleef op het schoolplein napraten.
“Ton bedoelde het niet slecht,” merkte Els op.
“Maar het was niet leuk voor Tamara,” vond Carry.
De discussie ging nog een tijdje door, tot Carry opeens voorstelde: “Als we er nu eens een andere wedstrijd van maken.”
“Moet er per se gevochten worden?” vroeg Tamara.
“Nee, we laten ze de doolhof doen!”

De doolhof maakte deel uit van een landgoed rond een middeleeuws kasteel, even buiten het dorp. Er werd verteld dat slimme mensen de uitgang vonden; anderen kwamen er nooit meer uit. Groep zeven maakte een gat in de afrastering en sloop het terrein op. Er hing een geheimzinnige sfeer. Bij de ingang van de hof wees Carry naar een vervallen boog. “Als alles goed gaat, komen jullie dáár straks uit.”
“Ik tel tot tien,” riep Nico, “dan rennen jullie. Wie er het eerste uitkomt wint ”
Zenuwachtig stonden Bas en Ton klaar.
“Eén, twee…,” begon Nico.
Bas keek achterom en zag Tamara naar hem glimlachen.
“… vijf, zes…”
Ton zag dat Els haar duim omhoog stak.
“…acht, negen…”
Nico pauzeerde even om de spanning op te bouwen. Toen vloog er opeens een houtduif uit een boom. Een paar meisjes gilden.
“Tien,” riep Nico gauw.

Ton ging met z’n lange benen voorop, Bas er achteraan. Bij het eerste kruispunt sloegen ze allebei rechtsaf. Korte tijd later keerden ze terug om naar links te gaan en uit het zicht te verdwijnen.
Eerst renden ze in het wilde weg, elkaar als een kip zonder kop volgend. Telkens liep het pad dood of kwamen ze weer bij eenzelfde plek. Bas vroeg zich af waarom hij achter die lange aanliep, daarom ging hij een andere kant uit. Een poos schoot Bas goed op, tot hij opeens op zijn tegenstander botste.
“Kun je niet uitkijken dombo?” riep Ton.
“Sorry,” reageerde Bas, terwijl hij zijn bril afnam en deze probeerde recht te buigen. “’t Lijkt wel of ik tegen een boom ben gelopen.”
“Je kunt mij toch niet over het hoofd gezien hebben.”
Even keken ze elkaar aan, toen schoten ze in de lach. “We zijn eigenlijk heel dom bezig hè,” merkte Bas op.
“Zeker. Laten we samenwerken, dan zijn we er vast eerder uit. Vlakbij de uitgang kunnen we er alsnog een wedstrijdje van maken.”
“Prima.”
Bij iedere splitsing maakten ze met een tak een teken op de grond. Gingen elk een kant verkennen en zochten elkaar dan weer op. Een poos leek dat goed te gaan, maar of ze ook opschoten?

Bij een volgende ontmoeting zei Bas: “Ik kreeg bijna een dikke tak op m’n hoofd.”
Ton had vreemde geluiden gehoord. “Zullen we maar samen blijven?” stelde hij voor.
Er leek geen eind aan te komen. Het begon zelfs al donker te worden. En allebei hadden ze vreselijke dorst. Onverwacht stonden ze voor een begraafplaats.
“Daar is misschien wel een kraan,” merkte Bas hoopvol op.
“Je denkt toch niet dat ik tussen die graven ga lopen,” wierp Ton tegen.
“Waarom niet? Hier liggen alleen maar…”
Hij werd onderbroken door een angstaanjagend gekrijs. Links van hen vloog een zwarte schim door de lucht.
“Dat bedoel ik nou,” fluisterde Ton. “Laten we maken dat we wegkomen.”
Zwijgend liepen ze verder, tot ze een bos bereikten. “Wat nu?” vroeg Ton.
“Ik dacht dat ik bij die dikke boom iets zag bewegen,” zei Bas. “Laten we even gaan kijken.”

In de dikke eik verscheen plots een deur, die piepend openging. “Komt u binnen heren,” klonk een donkerbruine stem. Angstig en nieuwsgierig tegelijk ging Bas voorop naar binnen. In de schemerige ruimte zorgden dansende vuurvliegjes voor een beetje licht.
“Welkom,” sprak een gedaante vanuit de schaduw. “Verdwaald zeker hè?”
“Ja, èh … meneer?” probeerde Bas. De figuur, die hem met doffe ogen over een half rond brilletje aankeek, had zijn lengte en leek het meest op een maxi mol.
“Molmeer is de naam en met wie heb ik het genoegen?”
De jongens stelden zich voor en Ton voegde daaraan toe dat ze onderdak zochten.
“Maar u hebt toch zeker ook wel honger?” vroeg Molmeer.
“Eerlijk gezegd wel ja, maar we willen u niet tot last zijn,” antwoordde Bas beleefd.
“Integendeel, volgt u mij maar.”
Ze gingen een trapje af naar een vierkante ruimte, met een houten tafel en twee banken in het midden, iets beter verlicht door een rij glazen potjes met glimwormen. Het rook er heerlijk naar versgebakken brood en soep. Ze aten zwijgend.
Voldaan zei Bas daarna: “Dank u wel, heel vriendelijk van u.”
“Graag gedaan, maar vertelt u eens, wat voerde u naar de doolhof?”
De jongens deden verslag van hun wedstrijd. “Kunt u ons verder helpen? vroeg Ton. “Want ik denk dat onze vrienden wel ongerust zullen zijn.”
“Maakt u zich geen zorgen,” reageerde Molmeer, “ik kan u meedelen dat die jongelui naar huis zijn gegaan.”
“Zonder ons?” riep Ton verontwaardigd.
“Wees blij dat Els en de anderen nu veilig thuis zijn.”  Ton kleurde, terwijl Bas vervolgde: “Morgenochtend komen ze ons vast met extra hulp zoeken.”
“Het lijkt mij verstandig dat u eerst eens van wat nachtrust gaat genieten,” zei Molmeer. Met één potje glimwormen ging hij hen voor naar een naastgelegen vertrek, waar ze op met bladeren gevulde zakken vrij snel in slaap vielen.

Bas werd midden in de nacht wakker. Hij hoorde iets, sloop zachtjes hij naar de deur en deed die voorzichtig op een kier.
“Het zijn er twee,” hoorde hij Molmeer zeggen. “Zullen we er allebei één nemen?”
“Prima, kom ik morgen wel bij je langs.”
“Goed, dan laat ik je uit.”
Bas maakte vlug Ton wakker. “Kom, we moeten hier meteen weg.”
Ze pakten allebei een potje glimwormen en probeerden op goed geluk een paar deuren. Achter een ervan lag een donkere gang, die snelden zij in. Het rook muf en soms viel een kluit aarde omlaag, of kroop er een spin weg. De doorgang was zo laag, dat Ton bijna voortdurend moest bukken.

Na lange tijd kwamen zij plotseling bij een houten trap, met bovenaan een luik. Voorzichtig duwden ze dat open… en stonden toen midden tussen een groep krakers, die bezit had genomen van een deel van het kasteel. Maar dat is een heel ander verhaal, wellicht voor een volgende keer.

 

 

Geniet van de herfstkleuren
en daarna van deze site.!

Met groet,

Joop

                             

 

 



Comments are closed.