Homepage

Aquarel Ans Sanner
Heiderust 

Ik moet alles opschrijven, zolang ik kan. Soms weet ik een woord niet; andere keren ben ik een heleboel kwijt. Vaak vertel ik iets wat ik al eerder heb gezegd. Maar ja, de oude dag komt met gebreken en in feite mag ik blij zijn. Bijna was ik er niet meer geweest. Bovendien ben ik nog heel goed, vergeleken bij die vrouw van Rietveld. Die ligt al – wat zal het zijn, vier jaar misschien? – op bed. Kanker. Kan vrijwel niets meer. Dan ben ik dus nog goed; o ja, dat zei ik al.
Ik woon nu … èh… een hele tijd hier in dit huis. Mooie kamer, voor mezelf alleen. Maar het eten is minder goed. Dat was in het ziekenhuis beter. Daar waren we met z’n – eens even denken… één, twee, drie, vier, vijf – met z’n vijven op een kamer. Ik hoefde niet de hele dag in bed te blijven. Mocht aan een tafeltje bij het raam zitten. Of een stukje gaan lopen met zo’n… Hoe heet dat ding met wieltjes ook al weer? O ja, een rollator.
Eerst liep ik zonder dat rolding langs mijn bed naar het volgende. Hield mij aan de kastenwand vast tot de deur. In de gang volgde ik een soort trapleuning aan de muur, tot bij de zithoek. Op een keer moest ik oversteken, struikelde en ging onderuit. Probeerde overeind te komen. Zusters kwamen aangelopen. “Niet doen, mevrouw Straver. Misschien hebt u wel wéér wat gebroken… mopper de mopper…”
Daarom lag ik in het ziekenhuis, omdat mijn heup gebroken was. Ik viel opeens op m’n achterste. Buurvrouw Ank zat op haar knieën voor me en keek me bezorgd aan. “Gaat het Nelie? Heb je je pijn gedaan?”
“Wat is er gebeurd? Help me eens overeind.”
Ze hielp mij in een stoel. “Je kwam met het dienblad binnen, voor de thee en ineens zakte je in elkaar. Ik schrok me een ongeluk.”
Mijn servies lag in scherven op de grond. Ik wilde opstaan, maar een pijnscheut weerhield me. Ank zag het en belde een dokter. Die regelde meteen een ambulance.
In het ziekenhuis zeiden ze dat mijn heup gebroken was. Hoe het toen verder ging weet ik niet precies. Later begreep ik dat er ook wat in mijn hoofd gebeurde, iets van een bloeding. Daardoor was ik gevallen en raakte ik erg in de war. Het duurde heel lang voor ik weer een beetje beter werd. Toen wilde ik dolgraag naar huis. De dokter zei dat het eigenlijk te goed ging om in het ziekenhuis te blijven, maar niet goed genoeg om naar huis te gaan. Ik moest naar een verzorgingshuis. Daar schrok ik van.
“Ik begrijp dat je mij niet bij jou wilt hebben,” zei ik tegen m’n zoon. “Maar ik kan toch wel naar huis, als jullie en buurvrouw … èh… Ank mij een beetje helpen?”
Er was weinig keus. Nergens een plekje en overal wachtlijsten. Dus mocht ik naar huis. ’s Morgens kwam mijn schoondochter, ’s middags Ank, elke avond m’n zoon en ’s nachts een vrouw van het vrijwilligerswerk.
Maar die anderen hebben ook hun eigen leven. Eerst moest ik een tijdje naar de dagopvang in een dorp bij ons in de buurt. Vond ik niets aan. Toen kwam er een plek vrij in dit huis.
Het gaat nu aardig goed, vind ik. Alleen dat nare mens van hier tegenover. Ze klopt telkens op de deur, loopt meteen door en vraagt: “Mag ik binnen komen?”
Ik kan haar er maar slecht uitgooien. “Jawel hoor, Truus,” zeg ik daarom op m’n allervriendelijkst.
“Dat zeg je nu wel,” moppert ze, “maar eigenlijk wil niemand me hebben Ze zien me het liefst zo snel mogelijk vertrekken.”
“Hoe zou dat nou komen?” vraag ik.
“Dat weet ik niet.”
“Omdat jij meestal niet meer weg wilt. Maar we kunnen niet bij elkaar wonen. Iedereen heeft z’n eigen kamer.”
“Niemand wil ook naar mij luisteren.”
Dat komt omdat je uren zit te zeuren denk ik, maar ik zeg dat sommige mensen graag eens een poosje alleen zijn.
“Nou ik niet,” gaat ze door. “Wat moet je nu zo’n hele dag alleen doen?”
Daar heb ik nooit last van, dat ik me verveel. Zodra ik die vrouw de deur heb uitgewerkt, ga ik de middelste plank van de kast opruimen. De onderste heb ik al gedaan. Erg vermoeiend, want ik moest op m’n knieën zitten. Wat ik weinig gebruik heb ik achterin op elkaar gestapeld en nu is er veel meer ruimte.

’s Morgens gaan we naar… ja hoe heet dat, waar ze oefeningen met je doen? Theater, of zo? Nee, nu weet ik het weer: therapie. Soms wordt er een spelletje gedaan. Ik moest ook eens blokjes stapelen en kleuren uitzoeken. Een andere keer met een bal gooien; daar vond ik weinig aan. Maar ik heb er niets van gezegd, want ik wil niet zo moeilijk doen als Truus. Vorige keer dat we bij thea… bij therapie waren, liep ze weg. De zusters waren heel ongerust. Iemand heeft haar toen buiten gevonden.
Mijn schoondochter heeft me meegenomen naar de bingo. Eigenlijk blijf ik net zo lief op m’n kamer. Maar Joke, zo heet m’n schoondochter, Joke zegt dat het goed voor me is als ik onder de mensen kom. Vooruit dan maar, ik wil niet moeilijk doen, of zei ik dat al? Het is wel lastig, al die getallen. Gelukkig hielp Joke een beetje en won ik een doosje chocolaatjes. De volgende keer ging ze met een andere vrouw zitten praten. Ik kon het niet bijhouden, won geen prijsje en vond er niets meer aan.
Soms drinken we met z’n allen koffie in een grote kamer en praten daar zo maar wat. ’t Liefst blijf ik thuis. Meestal komt de zuster me echter halen. “Kom, mevrouw Straver,” zegt ze en geeft me een arm. “We gaan gezellig samen stappen.”
Ze is nog jong, die zuster en doet erg haar best. Daarom was ik heel kwaad op Truus, toen die lelijk tegen haar deed omdat ze niet naar beneden mocht. Ze zei zulke vreselijke dingen, dat ik er zelf om moest huilen. Ik kon die nacht niet slapen. Het was zo warm, dat ik het dekbed een stuk omlaag had geschoven. Net toen ik bijna sliep hoorde ik zachtjes de deur open gaan. Met kloppend hart bleef ik stil liggen. Een donkere schim liep langs mijn kast naar de tafel. Toen drukte ik op het knopje van de lamp naast mijn bed. De insluiper slaakte een gilletje en stootte iets omver. Tot mijn stomme verbazing was ZIJ het weer, dat vervelende mens.
“Ik schrok van je,” zei ze.
“Wat doe jij hier Truus?” vroeg ik boos.
“Ik kom bij je slapen.”
“Dat kan niet, ga weg.”
“Maar er is toch best plek voor ons tweeën?”
“Dat wil ik niet Truus.” Ik stapte uit bed en duwde haar naar de deur. Bracht haar zelfs naar haar eigen kamer, omdat ze op de gang bleef staan.
De zuster wilde mij volgende morgen niet geloven. “Ik weet dat je mevrouw Talsma niet aardig vindt,” reageerde ze. “Je hebt vast van haar gedroomd.”
Ik vertelde maar niet dat het fotolijstje van mijn kleinzoon met gebroken glas op de grond lag.
Joke, m’n schoondochter, zei dat ik eens naar het winkeltje moest gaan. Dat is beneden in dit huis.
“Koop daar wat koekjes. Kun je trakteren wanneer je visite krijgt.”
Toen ze weg was, moest ik naar de wc. Daarna wilde ik de gekochte spullen opruimen, maar ze waren er niet meer. Vast gestolen door dat ellendige mens. Ik zocht een zuster op. “Zoiets doet mevrouw Talsma toch niet,” zei die. “Misschien bent u vergeten waar ze opgeborgen zijn.” In mijn kast vond ze een trommel. “Zie je wel. Hier zitten een heleboel koekjes in.”
Ze geloofde vast niet dat die over waren van de vorige keer.
Ik besloot beter op m’n spulletjes te gaan letten. Mijn sieraden bijvoorbeeld. Die zitten in een kistje, dat Cor vroeger gemaakt heeft. Gek eigenlijk, dat ik bijna niet meer aan mijn man denk. Toen hij pas dood was, wilde ik zelf ook niet meer verder leven. Maar je moet toch door, tot het jouw beurt is om afscheid te nemen. Als ze dat sieradenkistje zou stelen ben ik meteen alles kwijt. Niet elk sieraad is duur, maar deze broche is nog van mijn moeder. En die armband komt uit België. De zilveren hanger kreeg ik op m’n tachtigste verjaardag, van èh… ik dacht van mijn zoon en schoondochter.
Op een middag haalde ik alle sieraden uit het kistje. De dingen die ik niet regelmatig draag pakte ik in een stukje keukenpapier en borg ze afzonderlijk op in een doosje in de onderste la van de grote kast. Tevreden rustte ik uit, toen er op de deur geklopt werd.
“Sorry, Nelie, dat ik stoor. Maar weet jij wanneer we gaan eten?”
Nee hè. Weer ZIJ. Waarvoor moest dat mens toch altijd mij hebben? “Dat weet ik niet, ze komen ons altijd roepen.”
“Maar denk je dat het nog lang duurt?”
“Volgens mij niet.”
“Zou ik dan na het eten nog op tijd thuis kunnen komen?”
“Hoezo? Je mag helemaal niet naar huis, Truus.”
“Maar mijn man zit op me te wachten.”
“Jouw Wim leeft niet meer, dat weet je toch wel?”
“Nee, daar weet ik niets van.”
“Toch is hij dood, net als mijn Cor.”
“Ik ben helemaal niet op een begrafenis geweest.”
Ik werd er moe van en nam haar mee naar de kamer waar we altijd eten. Gelukkig waren er al andere mensen.

Een tijdje later was er iets met de lift. Hij zat vast, met mensen erin. Er moesten mannen komen, monteurs, om ze te bevrijden. Eén vrouw, die verderop in de gang woont, stapte bleek van angst uit. Een ander, met jas aan en handtas bij zich, was wit van boosheid en riep: “Nu kan ik weer niet naar huis.” Precies, dat was Truus.
Toen werd de deur van het halletje bij de lift veranderd, zodat wij niet meer alleen naar buiten konden. Op een zondag kwam mijn zoon op bezoek. De deur schoof langzaam open en mijn zoon en schoondochter stapten binnen. Opeens verscheen Truus en glipte precies voor de deur dichtging het halletje in. Joke probeerde haar naar binnen te halen, maar ze stribbelde heftig tegen. Ik ging gauw een zuster halen die haar terugsleepte.
Truus werd steeds lastiger. Bijna elke dag vroeg ze of ze naar huis mocht. Of kwam ze met haar jas aan en een tas aan haar arm de kamer in. “Hoe kan ik nu brood gaan kopen?”
“Dat hoeft toch niet,” antwoordde ik, “want je krijgt hier gratis eten.”
“Maar m’n man en kinderen dan? Als ik niets koop, hebben zij geen eten.”
Ik werd er zenuwachtig van. Vond er ook niets aan om opgesloten te zitten, omdat één zo’n vervelend mens elke keer wilde weglopen.
Op een nacht hoorde ik weer geluid in mijn kamer. Toen ik het licht aanknipte, zag ik nog net hoe ze mijn jurk in haar tas stopte. En ze had mijn schoenen al aan. Ik werd verschrikkelijk kwaad. Had haar wel kunnen slaan. Maar kon niks anders, dan een flink potje te gaan zitten janken.
“Zo erg is het toch niet,” zei de zuster, “mevrouw Talsma is gewoon een beetje in de war.”
Hadden ze nog medelijden met dat rotmens ook. Eigenlijk zou ik best weer in het ziekenhuis willen zijn. Daar waren ze tenminste aardig voor me. En was ook het eten veel beter. Hier had ik pas een toetje in een bakje dat ik helemaal niet open kon krijgen.

Midden in de zomer kwamen er werklui, die op verschillende plaatsen met allerlei klussen begonnen. We kregen een nieuwe eetkamer en een groter toilet en ook de trap aan het eind van de gang werd vervangen. Ik ging die mannen eens rustig bekijken. Ik bedoel: wat ze aan het doen waren. Hoe noem je dat ook al weer? Ob… observeren.
Best wel leuk, alleen kwam de zuster me na een poosje al weer ophalen om mee naar thea… naar therapie te gaan. “Beetje beweging is goed voor u,” zei ze, “anders wordt u veel te stijf.”
Jammer, maar ze had natuurlijk wel gelijk.
Terwijl ik later van mijn oefeningen uit zat te rusten en nog een beetje met andere oudjes nababbelde, hoorden we opeens een sirene vlakbij het huis. Gevolgd door een heleboel conster-dingens, consternatie bedoel ik, binnen.
Hoe het allemaal precies heeft kunnen gebeuren, weet ik niet. Ons werd verteld dat Truus van die nieuwe trap was gevallen en zo lelijk terechtkwam dat ze gelijk dood was. Daar schrokken we allemaal heel erg van.
Inmiddels is de rust weergekeerd. Ik zit heerlijk voor het raam van mijn kamer te genieten van het uitzicht. Op het pleintje beneden spelen kinderen. Op de achtergrond zie ik dat de heide al begint te bloeien. Ik word door niemand meer gestoord. Op deze manier kan ik wel honderd worden. Als ik tenminste geen nieuwe bloeding in m’n hoofd krijg. Maar ja, als de lucht valt, hebben we allemaal een blauwe pet.

Goede zomer! 

Joop Sanner



Comments are closed.