Homepage

                                Eén met de natuur
Aquarel Ans Sanner

Op een vroege februari-ochtend zwerft Andries door het bos. Weinig wild vandaag, slechts een Schotse Hooglander dampend bij een vennetje. Wel veel vogels, die meer geluid lijken te maken dan anders. Hij ruikt een mengsel van muffe bladeren, zoete dennengeur en van … rook!  Gealarmeerd loopt hij verder. Plotseling ziet hij een vuur op een open plek, waar omheen een kring van witte gedaanten beweegt. Verwonderd kijkt hij toe hoe een jonge vrouw zich losmaakt van de anderen en op hem toe loopt. Ze buigt voorover en legt sneeuwklokjes op de grond. Wanneer ze omhoog komt, houden haar bruine ogen hem vast. Ze dringen diep naar binnen en warmte stijgt vanuit zijn voeten omhoog.

Christien blijft verschrikt staan. Ze kijkt in de ogen van een jongen. Wat doet die daar en wat moet ze nu doen? Het ritueel mag niet verstoord worden,  daarom loopt ze naar het midden van de cirkel terug. Daar ontvangt ze samen met de anderen een stuk lamsvlees en een glas witte wijn.
Plotseling klinkt ergens het blikkerige geluid van een roodborstje. Voor Andries het sein om zich omzichtig terug te trekken.

Voortdurend ziet hij die bruine ogen voor zich. Maar hoe haar gezicht eruit ziet? En of ze van zijn leeftijd is? Alleen de as van het verbrandde hout bevestigt dat hij niet gedroomd heeft. Hij zou haar best nog eens willen ontmoeten, maar wie is ze?

Ze denkt aan hem. Er was een vonk. Eigenlijk wil ze wel ontdekken wat voor iemand het is. Bij volle maan gaat ze naar het bos. Aan het eind van een oude laan bereikt ze een cirkel van beuken. In het midden een kale, zanderige vlakte. Ze reinigt haar Athame en tekent met dit mes een labyrint op de open plek. Ze schrijft iets op een papiertje, stopt dit in een potje en begraaft dat in het hart van het labyrint. Op een andere plek plaatst ze een schaaltje van aardewerk en verlaat dan de gewijde plaats.

Andries wandelt op een van de veertien lanen naar de Carolinaberg. Wanneer hij krijgt zicht op een ronde zitbank, gaat zijn hart sneller kloppen. Zonnestralen breken door het jonge groen en belichten een vrouw, gekleed in een zwierige rode jurk van satijn. Onweerstaanbaar wordt hij naar haar toegetrokken. Dichterbij herkent hij de priemende ogen, omlijst door een zware make-up.
“Sorry,” zegt hij, “het was niet mijn bedoeling jullie te bespioneren.”
Ze tovert een stralende glimlach tevoorschijn, haar parelwitte tanden contrasteren mooi met de zwart gestifte lippen. “Het wordt je niet kwalijk genomen.”
Andries vermoedt dat zijn hoofd ongeveer de kleur van haar jurk aanneemt.
Christien klopt naast zich op de bank. “Je mag best bij me komen zitten, als je wilt, om van het mooie uitzicht te genieten. Ik veronderstel tenminste dat je ook van het bos houdt.”
“Dat doe ik inderdaad.” Langzaam wordt hij rustiger. Ze raken in gesprek, alsof ze elkaar al heel lang kennen. Wat hij anders nooit durft, doet hij nu zonder schroom; “Wil je misschien met me gaan eten in het pannenkoekenhuis?”

 Ze zien elkaar hierna vaker. Op een keer vraagt Christien: “Vind je mij aardig?”
Nou en of,” bevestigt Andries. “Ik zou wel altijd bij je willen zijn.”
“Als dat zo is, wil je dat dan in onze kring bevestigen?”
Hij weet niet of hij bij de kring wil horen waar ze hem over verteld heeft. Maar hij wil de kans om een vriendin te hebben niet laten ontglippen.
In een frisse nacht, wanneer het volle maan is, trekken ze met de groep het bos in.
Een oude vrouw tekent met haar staf een cirkel. Binnen de ‘ruimte van energie’ wordt gezongen en gedanst. Christien en Andries worden naar het midden geroepen. De vrouw zegt: “Geef elkaar de hand en spreek jullie belofte uit.”
Andries voelt Christiens koude hand. “In het bijzijn van allen, bijeengekomen in deze cirkel, beloof ik je te laten lachen en je zorgen met je te delen, vanaf deze dag tot een jaar en een dag hierna.” Hij antwoordt haar: “Ik beloof jou te steunen en trouw te zijn zolang onze vriendschap duurt.”
“Zo zal het zijn,” zegt de vrouw met de staf, en bindt vervolgens hun handen samen met een blauw koord.

Op midzomeravond nodigt Christien hem uit bij haar te komen eten. Ze heeft een paprika geroosterd, gevuld met stukjes courgette, aubergine, rijst en pijnboompitjes en geeft hem royaal witbier waaraan zij rijkelijk gemalen gember, damian, koriander en saffraan heeft toegevoegd.
Andries is al behoorlijk verliefd op haar geworden, maar deze avond lijkt zijn hartstocht voor haar nog verder toe te nemen. “Jij bent het grootste geschenk dat de natuur mij gegeven heeft.”
“Dit wordt een nacht om de natuur te bedanken en om van te genieten,” reageert zij veelbelovend.
Tegen middernacht neemt zij hem mee naar het bos. Andries moet achter een dikke eik blijven. Daar ziet hij hoe meer vrouwen zich bij Christien voegen. Slechts gekleed in lucht dansen en zingen zij in de kring rond het vuur. Vonken van energie spatten er vanaf. In het schijnsel van de vlammen ziet hij de glimmende lijven voorbij schuiven. Hij wordt wild van begeerte. Christien wenkt hem. “Kom, kom maar, kom bij me.” Terwijl zij hem tegen zich aandrukt dansen de anderen om hen heen. “Kom nu in me,” hijgt ze. In volledige extase worden ze één, met een wilde ontlading.

Hij zou graag nog eens met haar samen willen zijn, zonder de anderen.
Midden in de heide eten ze broodjes en drinken bosbessenthee. Zoemende insecten boven het paarse oppervlak. Hij slaat zijn arm om haar heen en trekt haar tegen zich aan. Er volgt een lange kus. Dan staat zij snel op en wijst naar een akker aan de rand van de hei. “Ze zijn het koren aan het binnenhalen.”

Daarna lukt het nauwelijks om een keer met haar alleen te zijn. Hij gaat wel in op de uitnodiging om naar een feestje van haar vrienden te gaan. In een achtertuin roosteren ze wild op een barbecue. Er zijn noten en fruit, er vloeit rijkelijk wijn en bockbier. Iemand vertelt een griezelverhaal. Dan krijgt iedereen een witte steen. “Schrijf je naam daarop en gooi hem in het vuur,” zegt hun gastheer. “Iedereen die hier morgen zijn eigen steen terugvindt, gaat een goed jaar tegemoet.”
De volgende ochtend roeren mensen driftig in de zwarte as. Velen vinden hun steen terug, maar  Andries niet. Onderweg naar huis zegt hij teleurgesteld: “Had je me niet gewoon kunnen vertellen dat je niet meer van me houdt?”
“Ik weet niets van die steen,” reageert ze zacht. “Maar ik vermoed wel dat wij niet voor elkaar bestemd zijn.”
“Dan is het beter dat wij elkaar niet meer zien.” Meteen laat hij haar hand los en loopt snel door. Verbluft blijft zij staan en mompelt: “Sorry, ik …” Maar hij hoort haar niet meer en kijkt ook niet meer achterom, zijn tranen verbergend.     

Op Halloween trekken kinderen met angstaanjagende maskers en lachwekkende kostuums zingend en dansend van huis tot huis. Om kunstjes te doen en om lekkere dingen te bedelen. Achter de ramen verlichte pompoenen. Voor Andries geen kaarsen om zijn weg als geliefde te beschermen. Toch gaat hij op weg. Alleen. Troost zoekend bij zijn oude Taxus, met een fles stevige rode wijn. In deze nacht gaan de poorten naar andere werelden open. In deze wereld is geen plaats meer voor hem. Hij weet wat hem te doen staat.
Pas aan het eind van de volgende dag wordt hij in het bos gevonden, hangend aan het blauwe koord dat hem eens met zijn geliefde verbond.

Christien huilt. Dit heeft zij niet voorzien. Maar er is ook dankbaarheid. Ze wrijft over haar buik. De toekomst is vol beloftes. Hoewel… Ergens diep in haar klinkt een stemmetje: “Doe wat je wilt, mits je niets of niemand schaadt, want dat wat je doet komt drie keer tot je terug.”

 

Met groet,
Joop

                             

 



Comments are closed.