Homepage

Prinses Isabeau 

Er leefde eens een koning die onmetelijk rijk was.  Hij heerste over een gebied dat zich uitstrekte tot de gletsjers in het noorden, de bergen in het oosten, de woestijn in het zuiden en de zee in het westen. De grootste schat die hij bezat was echter zijn dochter Isabeau. Stralend als de zon en mooier als het eerste daglicht. Misschien dat het vanwege deze dochter was, dat de koningsfamilie woonde in een bescheiden kasteel op een heuvel. In de nabijheid bevond zich slechts een eenzaam dorpje in een eeuwenoud cultuurlandschap. De tijd leek er stil te staan. Ja, er waren een paar auto’s en smartphones natuurlijk. Maar houtblokken leverden de energie. Geen fijnstof, maar geurende bloesems prikkelden de neus. Nauwelijks hardere geluiden als dat van zoemende insecten en koerende houtduiven.
Isabeau had er een gelukkige jeugd. Ze hield van wandelen en paardrijden en van spelen met kinderen uit het dorp. Op een mooie voorjaarsdag wandelde ze door de kasteeltuin. Op de glooiende hellingen bloeiden tussen de bomen en struiken hele velden Anemonen en Lieve Vrouwe Bedstro. Een milde bries ruiste door perken met groene, rechtopstaande bladeren als ezelsoren en voerde een muziek mee van tinkelende klokjes. Verwonderd stond de prinses stil.
“Lelietjes van dalen,” klonk opeens een stem naast haar.
Ze had Etoine, de zoon van de tuinman, niet zien aankomen.
“Sorry, dat ik je liet schrikken,” verontschuldigde hij zich. “Kijk, tussen het groene blad zie je witte klokvormige bloempjes, met een geur van frisse parfum die precies past bij een prinses als jij.”
Stiekem bedacht hij dat de blos die op haar gezicht verscheen haar nog knapper maakte.
“Gekkerd,” reageerde ze. “Ik ben ook maar een gewone meid. Maar deze Lelietjes zijn inderdaad erg mooi.”
“Wil je er een paar hebben?” Hij legde voorzichtig een paar trosjes in haar hand, waarna ze samen naar het kasteelplein liepen. Ze droogde de bloemen en borg ze op in een oud sieradendoosje.

Naarmate Isabeau meer volwassen werd en haar vader ouder, begon deze zich zorgen te maken over de toekomst. Wie zou er voor haar zorgen als hij er niet meer was en wie zou haar helpen bij het besturen van het land? “Wat denk jij?” vroeg hij aan zijn eega, “Moet er niet in een partner voor haar voorzien worden?”
Er verschenen wat rimpeltjes op het voorhoofd van de koningin. “Misschien is het inderdaad niet verkeerd als we eens wat jongelui uitnodigen op het kasteel.”
Niet lang daarna verstoorde harde muziek de idyllische rust op het kasteelplein. Vele jonge gasten kwamen, waaronder prinsen en andere jongens van hoge komaf. Sommigen van hen keken meer op het scherm van hun smartphones, dan naar het lieftallige gezichtje van de prinses. Anderen fantaseerden over de financiële mogelijkheden die wellicht in het verschiet lagen. Geen van hen kon Isabeau boeien.
Dit is hopeloos ouderwets, pap,” zei ze tegen de koning. “Als het zonodig moet, kan ik zelf wel een vrijer opzoeken. Maar dan wel op mijn eigen manier. Ik ga op reis.” 

Vroeg in de ochtend stopte ze het meest noodzakelijke in haar rugzak en stapte op haar elektrische fiets. Lange tijd volgde ze de loop van de rivier, die ze vanuit het kasteel als een zilveren lint door het landschap had zien glinsteren.
Na een lange tocht zag ze een jonge visser aan de waterkant. Best knap eigenlijk en ook heel vriendelijk, merkte ze toen ze een praatje met hem maakte. Misschien is dit hem wel, dacht ze. Dan meteen maar even informeren. “Vind je mij leuk?”
“Best wel,” was zijn verbaasde reactie.
“En zou je met mij willen trouwen?”
Eh… Ik zou best een nachtje met je willen doorbrengen. Maar trouwen? Echt niet.”
“Nou, doei dan.” Ze stapte op de fiets, terwijl ze dacht: Van mijn part kun je in het water vallen.
Het was rond lunchtijd dat ze op een zonnig terras opnieuw een leuke jongen zag zitten. “Vind je mij leuk?” opende ze.
“Nou, en of! Wil je misschien iets met mij eten?”
Daar ging ze graag op in. Er verscheen een glas ijsthee en een schaal met diverse broodjes. Blijkbaar was die jongen nog hongeriger dan zij, want vóórdat Isabeau haar eerste broodje verorberd had, was de schaal al leeg.
Een huwelijksaanzoek leek haar in dit geval niet wenselijk. Snel haar rijwiel opzoeken dus.

Inmiddels had ze het liefelijke landschap achter zich gelaten en reed ze door een plaats met een stedelijk karakter. Op een plein werd ze aangesproken door een jongen met een zwart brilletje en een enorme haardos. “Wil je misschien iets van me drinken? vroeg die knul.
Hij nam haar mee naar een horecagelegenheid, waar keiharde muziek werd gedraaid. “Ik maak zelf ook muziek,” schreeuwde hij in haar oor. “Die zet ik op mijn eigen YouTube-kanaal. Ook wel filmpjes. Jij bent heel mooi. Wil je model voor mij staan?”
Aarzelend stemde ze toe, maar was gelijk met hem klaar toen bleek dat ze uit de kleren moest. 

Vele ontmoetingen met jongens, mannen en ook een paar meiden volgden. Nooit ontstond er een klik die hoop ontleende op een blijvend vervolg. Vele maanden was zij onderweg en alle windstreken waren doorkruist. Op een regenachtige avond verbleef ze ergens op een eenzame hotelkamer. Daar ontdekte ze opeens een doosje in haar bagage. O ja, dat is waar ook. Ze haalde er een trosje Lelietjes van dalen uit. Toen dat zacht klingelde, wist ze wat haar te doen stond.
De volgende ochtend keerde zij in de hoogste versnelling huiswaarts. Op het kasteelplein werd zij al opgewacht. Iedereen was blij haar gezond en wel terug te zien.
“En dochter, heb je gevonden wat je zocht?” informeerde de koning.
“Jazeker pap, hij staat hier recht voor me.” Meteen omhelsde ze de overgelukkige Etoine.
Niemand tekende bezwaar aan, dus volgde niet lang daarna een groots bruiloftsfeest. En nog weer vele jaren later regeerden Isabeau en Etoine over het welvarende rijk. En als ze niet overleden zijn, leven ze nu nog.

 

 

 

Met hartelijke groet,

Joop Sanner

 

 

 

 

 



Comments are closed.