Familie Sanner-Den Dunnen

Flankeur en Fuselier (D. Sluyter naar
B. van Hove, 1823)

Huurling

Zoals op dit plaatje van die militairen uit 1823 zag mijn voorvader Ursus Victor Stephanus (Urs) Sanner (1795-1854) er waarschijnlijk uit, toen hij rond 1820 als huurling naar Nederland kwam en met zijn compagnie naar Gorinchem trok.

Het Nederlandse staatsleger had grote verliezen geleden in de Franse Revolutie (slag bij Waterloo).  Na die tijd bezat Nederland feitelijk geen eigen leger meer. Daarom zocht men personeel in neutrale landen.  Dat was niet ongebruikelijk, getuige al documenten uit de 17de en 18de eeuw. Daarin komt bij de opstelling van nieuwe regimenten, herhaaldelijk de uitdrukking “Kapitulation” voor. Dat betekent dan niet ‘capitulatie’ of overgave, zoals we dit woord tegenwoordig kennen. Een capitulatie was een overeenkomst tussen regeringen, waarbij een bepaald kanton toestemming gaf om op haar grondgebied manschappen voor dienst bij de andere partij aan te trekken. De wervers moesten daartoe een vergunning van de regering van het kanton hebben. Van 1676 tot 1748 is tussen diverse Zwitserse kantons en de Republiek een groot aantal capitulaties afsloten. In de Resoluties van Staten-Generaal van 10-2-1666 kun je zelfs al een besluit lezen over “Aanneminge van 3.000 man uit de Zwitserse kantons in dienst van de Staten”.

Onder koning Willem I werden opnieuw vier Zwitserse regimenten aangeworven en vormden onderdeel van de Koninklijke Landmacht. Het betrof regiment 29 t/m 32, opgericht in 1814/1815. In 1817 werden infanterie en cavalerie heringedeeld in brigades en divisies. Totaal zou het gaan om een sterkte van circa 10.000 man.
Voor Regiment nr.32 werd op 29 maart 1815 de capitulatie getekend. Commandant Louis Auf der Maur (1779-1836) had grote moeite om voldoende manschappen te werven. Hij rekruteerde niet alleen in de afgesproken kantons, waaronder Solothurn, maar ook uit Zwitserse regimenten in het leger van Napoleon. In strijd met de contractbepalingen nam hij zelfs soldaten aan die beslist niet als “goede en geoefende Zwitserse soldaten” konden worden beschouwd. Italiaanse seizoenarbeiders en gevluchte criminelen uit de andere kantons. Indien nodig verschafte hij ze een valse identiteit.
Bovendien stak hij geld dat was bedoeld voor de werving van rekruten in de restauratie van zijn pas verworven kasteeltje Schwanau.
Ondanks alle gerommel kwam Regiment Nr.32 nooit op de vereiste sterkte en kwaliteit. Daarom greep de Koning in 1821 radicaal in. Auf der Maur werd gedeclasseerd en alle officieren en manschappen werden onderworpen aan een kwalitatieve beoordeling.
Uiteindelijk bleven van de ongeveer 2500 soldaten er maar 1000 over. Zij werden gelegerd in Gorinchem, Gouda, Dordrecht, Brielle, Hellevoetsluis, en Woerden. Het Depot en de Administratie waren in Gorinchem. De nieuwe commandant werd Jean Baptiste Göldlin de Tiefenau (1773-1855).
De Zwitsers in ‘Gorcum’ werden gehuisvest in de Tolkazerne (het vroegere “Tolhuys”) in Bastion 6. Hun aantal liep  uiteindelijk op tot wel 150 man. Onder hen bevond zich ook Ursus San(n)er uit het plaatsje Beinwil, in het kanton Solothurn.

Waarschijnlijk ging hij met zijn maten stappen en ontmoette daarbij Alegonda Godel, een tien jaar oudere Gorkumse. Zij raakte zwanger van hem en ze besloten te trouwen. Maar dat was nog niet zo eenvoudig. Door de uitgebreide huwelijksakte van 6 september 1822 weten we dat zijn ouders en grootouders overleden waren. (Zijn moeder overigens in 1821). Daarom moesten vier collega-militairen getuigen om toestemming te verkrijgen.
In de akte is ook opgenomen dat Ursus een ‘gepasporteerd’ militair was, dat wil zeggen: een uit dienst ontslagen soldaat. Omdat aan alle verplichtingen ten aanzien van de Nationale Militie was voldaan, waren er geen belemmeringen voor de huwelijkssluiting. Want ook vader Johannes Godel (metselaar te Sleeuwijk) ging akkoord (moeder Johanna van Hengstum was inmiddels overleden).
In de akte wordt tevens verklaard dat comparante Alegonda niet kon schrijven. Verder valt op dat de ambtenaar van de burgerlijke stand, burgemeester Moerkerk, de achternaam van Ursus met één N schreef, terwijl Ursus zelf ondertekende met dubbel N.

Na zijn diensttijd is Ursus  aan het werk  gegaan als kleermaker. Ze verhuisden waarschijnlijk in 1827 naar Sleeuwijk. In deze streek, het Land van Altena, bleef lange tijd de kern van de familie Sanner wonen.
Ursus Sanner (Vanaf zijn huwelijk met dubbel N) was de stamvader van de familie Sanner in Nederland.
Hij overleed op 24-03-1854 in Sleeuwijk.

Bronnen:

– ‘De familie Sanner, fantasie of  werkelijkheid?’ Jan Cornelis Sanner, 25 nov. 1979
– Stamboom van de familie Sanner op Geneanet: https://gw.geneanet.org/jsanner1 
– Nationaal Militair Museum
– Google en Wikipedia
http://genea.lindosblog.com/2006/10/zwitserse-regimentenmijn-voorvader.html
– Huwelijksakte 6-9-1822, gemeente Gorinchem (via Family Search)Staatsalmanak voor den jaren 1822, 1827, 1828 en 1830    https://books.google.nl/books?id=k7w_AAAAcAAJ
– Netherlands, Zuid-Holland…l Registration, 1679-1942, Huwelijken 1822,  Gorinchem (Family Search)
https://vestinggorinchem.wordpress.com/de-vesting/beschrijving-vestingwerken/
– Stamboom’ Pille’, Joseph Kieffer, Genealogie Online

Niet doorvertellen hoor

Spannende roddels zijn natuurlijk heel boeiend voor een verhaal, maar gelijker tijd een beetje beschamend als het je familie betreft. Daarbij levert een strafblad doorgaans een extra bron van discussie op. Wanneer het een beetje gênant onderwerp betreft, komen de werkelijke feiten niet altijd boven tafel. Dergelijke achtergrond-informatie kleurt echter wel statische genealogische gegevens in en kan daarom bij het maken van een stamboom niet onvermeld blijven.

Ditmaal wil ik de zaak behandelen van een 24-jarige man uit onze familie Sanner, die in 1850 werd veroordeeld voor “Feitelijkheid tegen de eerbaarheid van een meisje van meer dan 15 jaren met gewelddadigheid ondernomen en uitgevoerd”.
Het betreft hier Christiaan Sanner, geboren in 1826 te Gorinchem, zoon van Ursus Sanner en Alegonda Goedel. Christiaan is op dat moment vrijgezel, van beroep bouwmansknecht en van geloof Nederlands Hervormd. Hij is vrij klein van gestalte, om precies te zijn: ‘1 el, 6 palmen en 4 duim’, dat wil zeggen: bijna 1,40 meter lang. Hij heeft onder meer grijze ogen, lichtbruin haar en ziet er verder gezond uit  (Dit laatste zeker in vergelijking met zijn latere medegevangenen).

Aanvankelijk is bekend dat Christiaan in het ‘Huis van Opsluiting’ te Woerden terecht komt. De reden daarvan blijft echter lange tijd onduidelijk. Er gaan geruchten dat er ergens een vonnis moet zijn, maar dat kan nergens gevonden worden. Uiteindelijk komt het vonnis via het Rijksarchief beschikbaar. Het is een stuk van het ‘Provinciaal Geregtshof van Noordbrabant’ uit 29 oktober 1850. (zie scan).
Daarin wordt de achternaam van Christiaan geschreven als ‘Zanner’. Uitvoerig zijn de verklaringen van vijf getuigen vastgelegd, op basis waarvan het volgende kan worden samengevat:
In de ochtend van 12 juni vragen Christiaan en een leeftijdsgenoot een dienstmeisje bij een landbouwer wat melk te drinken. Omdat zij meent dat de betrokkenen naar sterke drank ruiken, gaat zij daar niet op in. Later op die dag zijn beide jongemannen gras aan het maaien op een weide, wanneer het meisje daar met een collegaatje verschijnt om de koeien te melken. Een verbaal contact leidt er uiteindelijk toe dat Christiaan handtastelijk wordt en onder de rokken van het dienstmeisje tast.
Na deze getuigenverklaringen gehoord te hebben, verklaart het Hof hem schuldig aan seksueel geweld en zijn kompaan als medeschuldig. Ze worden veroordeeld tot vijf jaar opsluiting in een ‘tuchthuis, om daar door handenarbeid hun onderhoud te gewinnen’.

Volgens hedendaagse maatstaven lijkt dit een strafmaat buiten alle proporties. Misschien ook wel in tegenstrijd met de gebruikelijke zeden uit die tijd. Dat neemt natuurlijk niet weg dat er opgetreden dient te worden tegen ongepast gedrag. We weten niet of Christiaan anders was dan de jongens in zijn omgeving. Wel is bekend dat hij zich in het Huis van Opsluiting te Woerden keurig gedragen heeft. Hij krijgt zelfs twee keer drie maanden gratie, de laatste keer vlak voor de beëindiging van zijn straftijd.

Daarmee zijn de zorgen voor Christiaan nog niet voorbij. Thuis in Sleeuwijk wacht hem een verrassing: De vijf jaar oudere Johanna Ruimschotel vertelt hem dat hij de vader is van haar zoontje van drie. Of dat iets zegt over Christiaan of over Johanna, zullen we in het midden laten. Zoontje Antonie is bijna zeven maanden nadat Christiaan naar Woerden is vertrokken geboren. Ze besluiten te trouwen en dat is de reden dat de schrijver van dit stuk het als nazaat kan navertellen. Want ze krijgen daarna nog vier kinderen en vele nakomelingen. Vijf dagen na de bevalling van het laatste kind overlijdt Johanna in 1868, waarschijnlijk aan kraamvrouwenkoorts. Het achterblijvende gezin wordt opgevangen door de weduwe Johanna van Andel, met wie Christiaan een half jaar later in het huwelijk treedt.

Bronnen:

– De familie Sanner, fantasie of werkelijkheid? Jan Cornelis Sanner, 25 nov. 1979;
– Op zoek naar Ursus Victor Stephanus Saner, J.C. Sanner, april 1982;
– Inschrijvings-register Huis van Opsluiting te Woerden;
– Vonnis No. 1630 Provinciaal Geregtshof van Noordbrabant uit 29 oktober 1850;
– Koninklijk Besluit nr. 68 d.d. 6 juli 1854.