Dien van de ka

Die donkere dagen rond Kerst zijn altijd het moeilijkst. Natuurlijk zijn er boeken, er is muziek en er komt weleens iemand langs. Maar iedereen heeft zo zijn eigen kringetje, waar men liever in vertoeft dan in het gezelschap van een sombere, oude man. Op die momenten grijp je nogal eens terug naar het verleden. Zo zit ik met een vergeelde foto in mijn handen als de hulp van de Thuiszorg arriveert.
“Zo meneer Uiterweert, alles in orde?” groet ze opgewekt.
“Bijna alles onder controle,” reageer ik.
Ze kijkt me even schattend aan en wijst dan op de foto. “Mooi. Is dat familie van u?”
Ze bedoelt de vrouw van mijn leeftijd, die voor een lieflijk huisje staat, dat omgeven is door sierlijke stokrozen. “Nou, dat is eigenlijk een heel verhaal.”
“Weet u wat, als ik eerst even koffie zet, vertelt u dat verhaal dan maar eens. Vandaag nemen we er de tijd voor.”

“Ik ben geboren in een klein dorpje aan de rand van een uitgestrekt moerasgebied,” begin ik even later. “’Kreek’ heette het en een eindje verderop lag een iets groter dorp, ‘Kerkheuvel’ genaamd. Beide kernen waren gescheiden door een landschap met een hoge cultuurhistorische waarde. Hoewel hemelsbreed niet ver van elkaar verwijderd, was er een hele omweg voor nodig om van het ene dorp in het andere te komen. Want vanwege die hoge waarde mocht het landschap niet verstoord worden door asfalt of andere voorzieningen. Maar er liep langs het moerasgebied wel een kade om de dorpen tegen opkomend water te beschermen. En over die kade een wandelpad, waarop je deze vrouw kon tegenkomen.” Ik hield de foto omhoog.

“Alberdina; de mensen noemden haar: ‘Dien van de ka’. Een oude vrouw en haar oude herdershond. Zij met kleine parmantige pasjes, af en toe leunend op haar stok. De hond langzaam voortschrijdend met zijn versleten heupen. Soms was het nog indrukwekkender, want dan voegde de -eveneens op hoge leeftijd zijnde- witte kat zich bij het gezelschap. De hond liep veelal in het spoor van de oude vrouw, de kat volgde haar eigen weg. Maakte soms even een ommetje, tuurde naar een muis of een vogeltje, om zich vervolgens weer bij de anderen te voegen.

Dien woonde in een oud huisje een eindje van kade, omgeven door dichte bosschages. Naar verluid was haar man al jong overleden en verbleef zij daar eenzaam met haar trouwe huisdieren. Als kind waren we altijd bang van haar, want er gingen de vreemdste verhalen rond. Zo zouden kinderen wel eens bedorven koekjes van haar hebben gekregen en een jongen was heel ziek geworden na het eten van een -misschien wel vergiftigde- appel. Ongetwijfeld paste zij precies in de vele sprookjes die in onze kinderjaren werden verteld. 

Als opgeschoten jongens moesten wij op zondagochtend altijd nog mee naar de kerk, gevolgd door koffiedrinken bij familie. Na de warme maaltijd waren we een poosje vrij, waarna we de avond veelal bij de jeugdvereniging doorbrachten. Maar die zondagmiddagen waren heel geliefd. Dan wandelden wij als jongens uit Kreek ook vaak over de kade in de hoop ergens onderweg leuke meisjes uit Kerkheuvel te ontmoeten. Niet altijd leidde dat tot succes, maar er ontstonden toch vele verkeringen die ook vaak tot een huwelijk leidden. Overigens ontmoetten wij Dien op die momenten nooit. Zij was zo verstandig om dan rustig in haar huisje te blijven. 

Bij een van die gelegenheden maakte ik kennis met Aline, een ontzettend leuke meid, met wie ik best eens een afspraakje wilde maken. Maar dat bleek niet zo eenvoudig. Ze hield me heel lang aan het lijntje, voor ze met een bijzonder voorstel kwam: “Je mag een keer met me uit als je een handtekening van Dien kunt overhandigen.”
Stomverbaasd keek ik haar aan, terwijl andere jongeren eerst stil vielen en vervolgens hard begonnen te lachen. “Van die heks?” riep iemand.

Echt op mijn gemak voelde ik me niet, toen ik het smalle paadje opging, dat door het groen naar het oude huis kronkelde. Het was er doodstil en zag er verlaten uit. Zenuwachtig liep ik voorzichtig verder. Voor alle zekerheid keek ik nog even achterom. Geen van de anderen was mij gevolgd. Er was geen deurbel, dus klopte ik op de houten deur. Even gebeurde er niets. Opeens klonk er hard geblaf en ik meende ik de verschoten gordijnen te zien bewegen. Net toen ik wilde omdraaien, ging de deur piepend open.
“Wat wil je, jongeman?” vroeg de oude vrouw, terwijl ze de hond aan de halsband vasthield.
“Ik eh.. Ik zou u iets willen vragen, mevrouw.”
“Kom dan maar eens even binnen, jongeman.”
Aarzelend volgde ik haar en ging zitten in de fauteuil die ze me aanwees. Meteen sprong de witte kat op mijn schoot. Een beetje hakkelend legde ik uit waarvoor ik kwam.
Dien lachte. “Die vrouwen hebben altijd iets bijzonders in petto, nietwaar. En de jongens zullen wel iets over een heks gezegd hebben.”
Ik kleurde en knikte.
“Is het een leuk meisje?”
Dit te bevestigen ging me een stuk gemakkelijker af.
Dien keek mij een poosje nadenkend aan, voor ze langzaam zei. “Dan heb ik een voorstel. Ik hoop dat je van me wilt aannemen dat ik geen heks ben, maar een eenzame vrouw, die af en toe best wat hulp en gezelschap kan gebruiken. Als jij me de komende maanden wat wilt bijstaan, krijg je aan het eind van het jaar mijn handtekening.”

 “Wacht even,” zegt de thuishulp, “dan schenk ik nog een keer koffie in.”

 Na een paar slokjes vervolg ik: “Aline zei dat ze best zolang wilde wachten. Ik zal je het hele verhaal van die zomer besparen, maar wat er op volgde ben ik nooit vergeten. Ik raakte in ieder geval heel bevriend met Dien en aan het eind van het jaar zei ze: “Ik wil je graag bedanken voor je aangename gezelschap. Zou je eerste Kerstdag bij me willen komen eten? Een mooi moment om je mijn handtekening te overhandigen.”
We lachten beiden en ik ging op haar uitnodiging in.
Het zag er erg gezellig uit. Brandende kaarsjes, kerstversieringen en een gedekte tafel voor drie personen. “Komt er nog meer visite?” vroeg ik aan Dien.
“Ja, die zal zo wel komen, denk ik.”
Toen dat gebeurde viel ik haast van m’n stoel van verbazing.
“Hallo oma,” groette Aline. “Je hebt hem hier kunnen krijgen?”
“Ja, en voor je gaat zitten: hier heb ik iets voor jullie.” Ze overhandigde een fotolijstje, met daarin deze foto van haarzelf, voorzien van een forse handtekening in gouden letters. “Ik kijk wel even de andere kant op,” zei ze, terwijl Aline en ik elkaar kusten.

Ik drink mijn koffie op en besluit dan: “Aline en ik zijn getrouwd. Dien was getuige; ze is 104 geworden.”