De Wolvercello van Haverloo

Aquarel Ans Sanner

Om een beetje vaardigheid te behouden, schrijf ik elke avond een agendablaadje vol over wat mij die dag bezighield. Soms moet ik diep nadenken om iets te bedenken dat de moeite waard is om vastgelegd te worden.
Maar het komt ook voor dat er zoveel indrukken zijn, dat ze niet op een blaadje passen. Bijvoorbeeld die dag in de periode dat ik vanwege gezondheidsproblemen geen auto mocht rijden. Ik moest naar een vergadering in Velp. Mijn collega van de Seniorenvereniging haalde mij op. “Maar je moet zelf terug zien te komen, want ik ga na afloop ergens anders heen.”
Dus wandelde ik na de vergadering (kon op zich ook wel een blaadje mee gevuld worden!) rustig naar het station, om daar tot de ontdekking te komen dat er geen treinen reden vanwege de werkzaamheden aan de nieuwe passerelle in Dieren. Tijdens het wachten op een vervangende bus hoorde ik opeens: “Hey Joop, dat is lang geleden!”
Een stevige, kale man van ongeveer mijn eigen leeftijd keek mij hoopvol aan. Vast héél lang geleden, dacht ik, want bij mij ging nog geen lichtje branden.
“Bij de schrijfgroep van het GSK (Gelders Schrijvers Kollektief),” hielp hij mij.
O ja, nu herkende ik hem. Zou ik ook zo oud geworden zijn?
“Schrijf jij nog steeds verhalen die balanceren op de grens van fantasie een werkelijkheid?” ging hij meteen verder.
“Vaak wel, ja. Ook verhalen voor een plaatselijk ouderenblad. En jij dan, ben jij nog ergens mee bezig?
“Ik heb net dit afgerond.” Hij haalde een Regiobode uit de binnenzak van zijn jas en wees op de kop: ‘Presentatie bij Jansen & de Feijter.’  En daarbij een foto van een boekenomslag met als titel: ‘De Wolvercello van Haverloo’.
“Leuk. Aparte titel. Waar staat die voor?” reageerde ik.
Er kwam een bus aanrijden, maar ik paste er niet meer in. Het gangpad stond helemaal vol. Niet erg, want ik had nog geen antwoord op mijn vraag.
“Het boek gaat over de oorspronkelijke eigenaar van het landgoed Haverloo, een paar mensenleeftijden geleden. Een heerschap dat niet zo best bekend stond. Hard voor zijn personeel. Niets over voor de arme bevolking in de omgeving. Daarom werd hij de ‘wolver’ genoemd.
Hij was echter ook eenzaam. Geen vrouw of man wierp hem een liefdevolle blik toe. Toch was er iets positiefs: hij hield van muziek, speelde cello en dat bood hem troost.
Aan het eind van zijn leven droomde de heerser dat hij nog één wens mocht doen. Blijkbaar ging die in vervulling, toen er een jaar na zijn dood iets bijzonders gebeurde. Op een dag klonk in de imposante entreehal van het landhuis een warm, muzikaal geluid. De nieuwe bewoners ontdekte dat het vanaf de balustrade kwam. Daar speelde een cello, maar zonder dat zichtbare knieën het instrument omklemden en zonder waarneembare handen die de strijkstok in beweging brachten. Elk uur klonk een hemelse melodie, die velen in beroering bracht.
Het was daarna elk jaar op de sterfdag van de wolver, dat dit merkwaardige verschijnsel zich voordeed. En zoals altijd gebeurt met dergelijke dingen, groeide de belangstelling om hiervan getuige te kunnen zijn. Duizenden belangstellenden kwamen om het wonder te aanschouwen. Het was echter vooral die aangrijpende melodie die de mensen raakte en velen troost bracht.”
Opeens begon mijn schrijfcollega te neuriën (Ik herinnerde me van vroeger dat hij ook heel goed kon zingen) en meteen herkende ik de melodie. Op dat moment reed er een nieuwe bus voor en in het gedrang raakte ik mijn metgezel kwijt.
Thuis was het stil. Mijn eega was nog niet terug van haar missie van deze dag. Daarom zette ik de radio aan.  Meteen klonk het ‘Ave Maria’, in een uitvoering van Franz Schubert ditmaal. Ofwel de muziek van de Wolvercello!