Kooiker

Chris en Jo volgden de kade tot de met grijze mijnsteen afgedekte stoep die de toegang gaf tot het perceel, waar een man met een blauwe alpinopet in de tuin bezig was.
“Goedendag,” groette Chris. “Ik ben op zoek naar de kooiker.”
“Ook goeiendag,” klonk een donkerbruine stem. “Die hebt u dan gevonden.”
“Mijn naam is Hanse en dit is mijn vrouw,” kon de kooiker nog net in de woonkeuken uitbrengen voor hij in een hoestbui losbarstte. “Neem me niet kwalijk. U begrijpt dat ik met zo’n hoest mijn werk in de kooi niet kan doen.”
“Daarom hoop ik dat ik u kan helpen.”
“Misschien willen jullie eerst een kop koffie?” vroeg vrouw Hanse.
De lust verging  Chris toen hij de vieze, ongewassen kopjes zag. Overal hing ook de warme, typisch agrarische geur. In de stal stonden een stuk of tien koeien, wat kalveren en enkele varkens. Zij werden verzorgd door vrouw Hanse, die een blauwe overall droeg, vol winkelhaken en besmeurd met mest. Ruwe handen en vingers met rouwranden. Een rond gezicht, vette haardos, uitpuilende ogen, mopsneus en een mond met een enkel bruin stompje tand. Het bleek later een hartelijke, goedige vrouw te zijn.
Chris bedacht dat het misschien ‘t minst kwaad kon als hij het vieze kopje met twee handen, als bij een mok, vastpakte en bij het oor dronk. Behoedzaam liet hij zo enkele slokken van het warme vocht naar binnen glijden.
Vrouw Hanse glimlachte. “Meneer drinkt de koffie net zoals ik: ook bij het oortje.”
Doordat Jo op dat moment vanaf Chris z’n schouder op de rand van de tafel wipte, viel het niet op dat Chris zich haast verslikte.
“Mooie kraai,” merkte Hanse op, “zal hij ons geen last bezorgen in de kooi?”
“O, helemaal niet, hoor,” antwoordde Chris en werkte snel de laatste teugen koffie naar binnen.

http://biesboschbeleven.nl/over-de-eendenkooi

Rustig roeiden ze door sprankelende kreken in onafzienbare riet­velden, die soms openbraken in brede stromen.
“Je waant je in deze onmetelijke ruimte op een verre planeet. Hier dringt de schoonheid van de schepping pas goed tot je door en word je één met de natuur,” verbrak Hanse de stilte.
Bij de eendenkooi verwisselde hij de roeispanen voor een vaarboom, om zo met minder rumoer te arriveren. Aan de rand van het kooibos legden ze aan. Tientallen jaren oude en door de tijd gekromde knotwilgen ontvingen hen zwijgend. Bijna helemaal verscholen was een eenvoudige hut gebouwd, in natuurlijk evenwicht met de omgeving voornamelijk van wilgenhout.
“Dit is mijn tweede huis,” zei Hanse en hij liet Chris even binnen rondkijken. “We maken nu een ronde langs de vangpijpen en let u daarbij eens op de prachtige begroeiing. U zult er ook allerlei vogels aantreffen, waarvan er velen in het kooibos broedplaatsen hebben.”
Zijn woorden herinnerde Chris aan een schoolreisje. Hij volgde ‑ met Jo uiteraard op z’n schouder ‑ de kooiker over een smal pad naar één van de vangpijpen die zich op elk van de vier windhoeken van de kooi bevonden. Aan het uiteinde zaten de vangkleppen waarmee voor de eenden de weg naar de vrijheid geblokkeerd werd en ze veelal let­terlijk en figuurlijk ‘de pijp uitgingen’.
Later werd in huize Hanse verder gesproken, onder het genot van… juist, een flinke hoeveelheid koffie en een overheerlijke, door vrouw Hanse zelfgebakken pruimentaart. Alle fijne kneepjes van het kooikersvak werden doorgesproken en ze spra­ken af om dit de volgende ochtend in de praktijk te gaan brengen.
Maar aan de ontbijttafel  kreeg Hanse meteen al last van een paar hoestbuien.
“Als ik nu eens vandaag alleen nog wat rondkijk in de kooi, dan kunnen we morgen wellicht samen aan het werk,” stelde Chris voor.
In de boot kwam Jo echter met een plan om meteen aan de slag te gaan. Aangekomen bij het kooikershuisje ontstak Chris een pot brakke turf. De lucht daarvan moest, samen met de speciale kleren van de kooiker, zijn lichaamsgeur verhullen. Op advies van Jo had Chris bossen hooigras op de vleugels van de kraai bevestigd.
Zo slopen ze stil langs de rietmatten naar de vangpijp die tegen de wind in vanaf het wed liep. Door de kijkgaten in de rietmat zag Chris dat er een grote hoeveel­heid eenden op het water verbleef. Om hun aandacht te trekken, kwam Jo in actie: hij tippelde met gespreide vleugels tussen de als coulissen geplaatste rieten schotten door. Vanaf het wed leek de rieten wand één geheel en toen de kraai opeens verscheen en telkens even verdween, wilde een aantal eenden wel eens gaan kijken wat dat rare beest aan ‘t uitvoeren was.
“Eenden zijn nog nieuwsgieriger dan mensen,” had Hanse gezegd.
Om zoveel mogelijk eenden te lokken, strooide Chris tussen de schotten door ook voer in het water. Het geluid van de vallende korrels was bekend bij de kooi-eenden, zij zwommen zonder aarzelen de pijp in, gevolgd door de nieuwsgierige wilde vogels. Jo lokte ze steeds verder, tot ze de rietmat passeerden waarachter Chris verstopt was.
“Nu!” riep Jo en meteen kwam Chris tevoorschijn. De kooi-eenden vluchtten grotendeels terug naar de plas; hun wilde soortgenoten zochten in paniek een uitweg tegen de wind in naar boven, waar de netten ze tegenhielden. Langs Chris durfden ze niet, dus fladderden ze verder de pijp in. Chris trok de vangkleppen dicht en had daarmee zijn eerste vangst verricht.

De kooiker was uitermate verbaasd toen hij de grote vangst onder ogen kreeg. Enige frustratie zal daarbij hebben meegespeeld. Zijn kriebel­hoest was helemaal niet losgekomen, eerder nog verergerd. Dankzij Chris kon hij nu echter rustig uitzieken, terwijl het werk doorging.
Vanaf dat moment gingen Chris en Jo naar de eendenkooi en bleef Hanse op de boerderij.

 

(Uit: ‘Christiaan en de riem’). een hand met daarin een herenpantalon.