Homepage

                                      Zoete herinneringen  

Wanneer we de zestig zijn gepasseerd, gaan we de wereld vaak op een nieuwe manier benaderen. We beginnen afstand te nemen van dingen die ons heel lang bezighielden. Werk wordt minder belangrijk, kinderen gaan hun eigen weg, misschien komt er een andere plek om te wonen in zicht. We maken ons minder druk om details. Richten ons meer op het algemene, op relaties en wat waardevol voor je is.
We gaan ook selectiever om met hetgeen we ons willen herinneren. Namen onthouden wordt steeds lastiger, maar als we iemand hebben ontmoet, herinneren we ons de emotionele toon van die ontmoeting. In plaats van feiten onthouden we de betekenis van gebeurtenissen. Voor de breedte komt meer de diepte. De scherpe kantjes in ons geheugen gaan eraf en dit maakt ons relativerender en feitelijk wijzer.

Deze, naar ik veronderstel: herkenbare woorden komen in me op tijdens een wandeling over een uitgestrekt landgoed. Een van de geneugten van het ouder worden is dat je beschikt over volop tijd. Dat je kunt doen en laten wat je wilt, zonder prestatiedrang of andere verplichtingen. Je vrijuit kunt overgeven aan je hobby’s. Of een lekkere wandeling maken dus. Zo’n landgoed nodigt ook uit om je neer te vleien op een bankje met zicht op de prachtige kasteeltuin. En dan je gedachten laten dwalen terug in de tijd, al fantaserend hoe de mensen hier vroeger geleefd hebben. 
Ik rek mijn beetje stijf geworden benen. Intussen kraakt de wind geheimzinnig in de dichte metershoge beukenhagen, die de tuin afscheiden van de rest van de wereld. Duizenden pluizige vliegjes zwerven rond. Ze volgen elk hun eigen pad, in een beweging die vrij is van elke spanning of stress.
Twee oudere dames komen aangefluisterd over de paden en nemen voorzichtig plaats in een naastgelegen prieel van bruinrood beukenblad. Daardoor verdwijnen ze uit mijn gezichtsveld, maar hun zachte gesprek vermengt zich met de serene omgevingsgeluiden.  Het eenzame, wat schorre gekoer van een houtduif en de hoge stemmen van kinderen die voorbij de hagen plezier maken in de nabijgelegen kinderboerderij. Hoewel ik me er niet bewust voor inspan, dringt het gesprek van de buurvrouwen tot mij door.
“Weet je nog, die keer dat we op vakantie gingen in dat familiehotel in Zuid-Limburg? We zaten een poosje in de foyer op een kop koffie te wachten, toen een echtpaar vroeg of ze bij ons mochten komen zitten. Het waren ook gasten van het hotel, die ik ‘de dominee en zijn vrouw’ had genoemd.”
“O ja,” klonk een andere stem. “Een opvallend stel, dat altijd op dezelfde plaats ging zitten tijdens het ontbijt. Dat was het mooiste plekje bij het raam, met zicht op het dal. Ook ’s avonds gingen ze daar dineren. Op een avond was ‘hun plekje’ bezet. Toen wachtten ze net zo lang tot die anderen weg waren, voor ze aan hun eten begonnen.”
“Precies ja, die bedoel ik. Hij was een mager mannetje, met een ringbaardje en altijd hetzelfde overhemd aan. Zij had een lange, grijze paardenstaart en was vaak in het zwart gekleed. Je probeert dan in te schatten wat voor mensen het zijn en zo kwam ik op een dominee uit Friesland. Jij geloofde daar niets van.”
“Nee, want dan zou die vrouw vast niet op slippers met blote voeten lopen.”
“En je bleek gelijk te hebben. Want ze vertelden dat ze uit Amsterdam kwamen. Met openbaar vervoer en weinig bagage bij zich. Toen de ober arriveerde, bood ik hen ook koffie aan. De Amsterdammer bestelde er – zoals hijzelf omschreef – ‘iets lekkers’ bij. Een pittige borrel, waarvan me de naam ontschoten is. Ik herinner me wel dat hij zijn aansteker tevoorschijn haalde en de borrel,  tot onze grote verwondering, aanstak. Nadat hij even later gedoofd was, vroeg hij aan jou: “Wil je eens proeven?’’
“Ik vond het erg sterk.”
“Jij ook, misschien? vroeg hij vervolgens aan mij. Het was inderdaad pittig; smaakte naar anijs, een soort Raki of Ozo.”

Een zingende merel maakt de verdere conversatie van de twee herinneringen ophalende vrouwen voor mij onverstaanbaar.  Op het moment dat ik op wil staan om mijn wandeling te vervolgen, hoor ik de dames lachen. “Je weet dat ik op de breiclub zit hè?” zegt vervolgens een van hen.
De ander reageert: “Waar jullie mutsen en sjaals breien voor kinderen in Roemenië, toch?’
“Inderdaad. Hebben we wat omhanden door iets nuttigs te doen en het is nog gezellig ook. Maar wat ik wilde vertellen: op die club zit ook een vrouw wiens man een aantal jaren geleden overleden is. Op een gegeven moment was ze het alleen zijn beu en is toen op zoek gegaan naar een andere partner. Via allerlei datingsites is ze in contact gekomen met een man waarmee het wel klikte. Uiteindelijk is er een latrelatie uit voortgekomen, waarbij ze elkaar regelmatig zien en samen dingen ondernemen. Beiden houden echter hun eigen huis aan en voor hun deel ook hun eigen manier van leven.”
“Niet onverstandig.”
“Maar het leukste komt nog,” vervolgt de vertelster. “Op een keer zei die vrouw dat vriend Carel haar wat eerder van de club zou komen ophalen. Bij binnenkomst herkende ik hem meteen. Je zult het haast niet geloven, maar het was de man van het Limburgse borreltje.”
Nu is het een overvliegende straaljager die deze verrassing onderstreept.
Ik sta toch maar op. Langs de babbelende dames lopend, groet ik met: “Dag meisjes,” hetgeen een gegiechel tot gevolg heeft dat tieners niet zou misstaan.

Of het allemaal echt waar is weet ik niet, maar het is een mooi verhaal en daarom heb ik het hier opgeschreven.

Met de groeten van  
Joop Sanner



Comments are closed.