Homepage

                                      Twaalf minuten  

Wat doe je zoal in twaalf minuten? Niet veel, zul je misschien zeggen. Maar in twaalf minuten rijdt je bijvoorbeeld met de intercity van Dieren naar Arnhem. En in de trein hoor je soms een compleet levensverhaal van een medereiziger. En wat kun je dan allemaal wel niet doen in twaalf maanden, een heel jaar? Hoewel tijd iets ongrijpbaars is, gaat het er om hoe je die minuten, dagen en maanden benut. Of eigenlijk ook hoe je er mee omgaat.
Ik zocht twaalf minuten op de boekenplank in mijn werkkamer  en vond in het boek ‘Van goden en mensen’, van uitgeverij Elmar uit 2004, het volgende Nieuwgriekse sprookje:          

Een arme weduwe had vijf kinderen, die ze nauwelijks in het leven kon houden. Slechts één keer per week mocht ze bij een rijke vrouw in de buurt het brooddeeg kneden. Voor haar moeite kreeg ze dan niet eens een stuk brood voor haar kinderen, maar mocht ze weggaan met de deegresten aan haar handen. Thuis waste ze die in schoon water en dit water kookte ze tot er een soort pap ontstond die ze haar kinderen te eten gaf. Op de een of andere manier zagen haar kinderen er daardoor gezonder uit dan die van de rijke vrouw. In het rijke huis ontstond jaloezie. Vanaf dat moment liet de vrouw haar hulp zorgvuldig de handen wassen voor ze naar huis ging.
De arme vrouw ging daarop van deur tot deur om aan mensen een stukje droog brood te vragen. Dat liet ze in water weken, verdeelde het onder haar kinderen en stuurde ze naar bed. Ze had intussen zelf alle moed verloren en besloot kort na middernacht het huis te verlaten om niet te hoeven aanzien hoe haar kinderen van honger zouden omkomen.
Gekweld door eenzaamheid dwaalde ze door het donker, tot ze op een heuvel een licht zag branden. Ze ging erheen en constateerde dat het licht uit een tent kwam. Nieuwsgierig gluurde ze naar binnen. In het midden van de tent hing een grote kroonluchter met twaalf lampen. Daaronder zaten twaalf jonge mannen.
“Gegroet, moedertje,” zei een van hen, “kom binnen en ga zitten.”
Al snel was er warme thee en wat te eten. Toen begonnen de mannen haar van alles over de plaats waar zij vandaan kwam te vragen. Zij probeerde zo goed mogelijk te antwoorden.
Een jonge man met open hemd vroeg opeens: “En wat denkt u van maart, april en mei?”
“Dat zijn prachtige maanden, waarin alles kleur krijgt en begint te groeien,” reageerde de weduwe.
“En de maanden juni tot en met augustus dan?” bracht een man met opgestroopte mouwen naar voren.
“Ook een goede periode, want dan kunnen we oogsten wat er gezaaid is.”
Twee mannen met een enorme druiventros vroegen: “En bent u ook positief over september, oktober en november.”
De vrouw glimlachte. “Natuurlijk, we worden vrolijk door de wijn en worden er aan herinnerd dat we ons klaar moeten maken voor de winter.”
Het was niet zo vreemd, dat er ook mannen met bontmantels waren, die de vraag stelden: “Wel, hoe staat het met de maanden december, januari en februari?”
“Die horen er net zo bij als alle anderen. We rusten uit van het werk, zorgen dat het binnen gezellig is en maken plannen voor de rest van het jaar.”
De mannen knikten goedkeurend. Een van hen gaf haar een afgesloten kruik. “Neem deze mee, moedertje en geef je kinderen te eten.”
“Heel hartelijk bedankt, jongens, ik wens jullie nog vele goede jaren.”
Tegen ochtend bereikte ze haar huis en bemerkte daar dat de kruik tot de rand gevuld was met goudstukken. Vanaf dat moment was er voldoende eten voor haar kinderen en ze kregen ook nieuwe kleren.

Dat bleef niet onopgemerkt bij de rijke vrouw en die kwam eens informeren. Ze kreeg alles te horen en besloot zelf ook op zoek te gaan naar die geheimzinnige tent. Daar trof ze eveneens de jongemannen aan, die haar wat te eten aanboden, dat ze afsloeg. “Wat denkt u over de maanden van het jaar?” vroegen zij vervolgens.
“Ach, elke maand heeft zijn eigen ergernis. Wanneer we in augustus aan de hitte gewend zijn, brengen september tot november ons niets dan kou. In december, januari en februari bevriezen we haast en kunnen we door de sneeuw niet naar buiten. Van maart tot en met april weet je nooit waar je aan toe bent. Daarna moet er in mei, juni en juli hard gewerkt worden en heb je eens even tijd om buiten te zitten, dan regent het.”
Even leken de mannen niet te reageren, maar toen ontving zij toch een afgesloten kruik, met de woorden: “Neem deze mee naar huis, sluit je in je eentje op in een kamer en maak deze kruik dan open.”
Zo gezegd, zo gedaan. Ze spreidde een laken uit, opende de kruik en keerde hem om. En wat kwam eruit? Niets dan slangen, die zich gretig op haar stortten. 

Benut je tijd dus goed,  

Joop Sanner



Comments are closed.