Schrijfsite

Shrunk Expand

Genealogie

Blind en verdronken

Wanneer je je verdiept in de geschiedenis van je voorouders wordt je niet altijd even vrolijk. Het liefst wil je natuurlijk verslag kunnen doen van smakelijke anekdotes. Helaas kent het leven echter ook allerlei schaduwkanten en voor een volledig beeld mogen die niet onvermeld blijven.

 Deze keer duik ik in de roots van mijn eega. Ik probeer met name meer te weten te komen over haar grootouders van vaders kant.

Ouders en grootouders van Ans Sanner-Bernouw

Van opa en oma Bernouw is niet zo veel bekend, zelfs een foto is -voor zover wij weten- niet van hen bewaard gebleven.

Cornelis Bernouw werd geboren op 29 maart 1883 te Hedel, als zoon van Nicolaas (Klaas) Bernouw en Sibilla Wolfert. Hedel (Hèèl in de volksmond) iseen dorp in de Gelderse Bommelerwaard, gelegen aan de rivier De Maas. Waarschijnlijk heeft vader Nicolaas zijn zoon aangegeven in het voorgaande jaar gebouwde Raadhuis. Tegenwoordig behoort Hedel tot de gemeente Maasdriel.
Over de jeugd van Cornelis weten we alleen dat hij opgroeide te midden van een groot gezin in een armetierig huisje aan de Nieuwstraat in Hedel. Onze informatie gaat verder bij zijn huwelijk op 4 juni 1914 met de dertigjarige Alida van Doesburg uit Waardenburg. Dat dorp ligt net ten noorden van Zaltbommel, aan de overkant van de rivier De Waal.

Alida leed aan glaucoom, een oogziekte die de oogzenuw beschadigt en leidt tot uitval van het gezichtsveld. Wanneer ze blind werd, weten we niet. Vader Freek Bernouw merkte aan het eind van zijn leven op dat hij in ieder geval goed voor zijn moeder gezorgd had.

Over opa Cornelis werd in de familie zelden gepraat. Het vermoeden bestaat dat er weinig positiefs over hem verteld kan worden. Waarschijnlijk was hij verslaafd aan de drank. Rondom zijn overlijden bestonden vraagtekens over wat er nu precies gebeurd was.

In het kader van ons genealogisch onderzoek voor het opstellen van een familiestamboom raadpleegden we het Regionaal Archief Rivierenland (RAR) te Tiel. Daar vonden we onder de gegevens van de Burgerlijke Stand Bommelerwaardse gemeenten 1811 – 1966 de overlijdensakte van opa (nummer 7, inventarisatie-nummer 202). In deze overlijdensakte is vermeld dat Cornelis Bernouw van beroep polderarbeider was.  Bij de akte was de opmerking vermeld: “Er is ook een overlijdensverklaring en een 3e afbeelding voor het verlof van de officier van justitie tot begraven.”

Wij hebben het RAR verzocht of we deze stukken konden inzien. Een medewerker van de studiezaal was zo vriendelijk ons van de betrokken stukken een scan toe te sturen.

De eerste bijlage betrof de Verklaring van overlijden (zie bijgaande afbeelding). Daarin is aangegeven dat verdrinking op 9 mei 1947, om ongeveer 11-12 uur, de oorzaak van overlijden is, met een vermoeden van een gewelddadige dood.

De tweede bijlage is afkomstig van het ‘Pakket van den officier van Justitie te Arnhem’. Dit betreft de toestemming tot begraven van Cornelis Bernouw, die op 9-5-1947 ten gevolge van zelfmoord door verdrinking te Hedel is overleden.

Dit kwam hard aan, maar bracht wel een stuk meer duidelijkheid.

Om deze tekst toch positief te besluiten, kan ik opmerken dat ik al jarenlang heel gelukkig ben met de kleindochter van Cornelis Bernouw en Alida van Doesburg.

Dienstbode

Bij het werken aan stambomen en het opzoeken van de daartoe benodigde gegevens kom je vaak de beroepen van de betrokken personen tegen. Een daarvan is ‘dienstbode’, een beroep dat onder meer mijn moeder en ook vele andere familieleden uitoefenden.

Acryl van Ans Sanner

Volgens Wikipedia is een dienstbode iemand die in loondienst huishoudelijk werk verricht. Vroeger ging het meestal om een jonge, ongehuwde vrouw, die ook ‘dienstmeisje’ genoemd werd.     

Het betreft een eeuwenoud beroep, waarover meestal nogal negatief geschreven wordt. In die zin dat de meisjes het heel zwaar hadden, vaak uitgebuit of misbruikt werden. Ze werden dikwijls bot behandeld, verdienden heel weinig en de omstandigheden waarin ze moesten werken lieten nogal eens te wensen over.

Maar voor velen van hen was het wel de enige mogelijkheid hun eigen milieu te ontstijgen.  Want de meesten kwamen uit arbeiderskringen of van de boerderij.

Ze leerden bijvoorbeeld hoe een uitgebreide dinertafel te dekken. Ze zagen schilderijen aan de muur, hoorden gesprekken over schouwburgvoorstellingen of de nieuwste mode. Veel dienstbodes profiteerden later van de ervaringen die ze in betrekking hadden opgedaan en konden daardoor hun gezin meer geven dan ze vroeger thuis meekregen. Al met al werd het beroep dienstbode vooral ook gezien als een goede voorbereiding voor het huwelijk.

Banen voor dienstbodes werden vaak geregeld door een ‘besteedster’. Zeker vanaf de 18e eeuw was daar een goed betaalde markt voor.

Het schijnt dat rond 1900 bijna de helft van Nederlandse vrouwen werkzaam was als dienstbode bij de ‘betere standen’. Veel te vertellen hadden ze niet, maar dat waren ze van huis uit gewend.

Het takenpakket van de meisjes betrof vooral huishoudelijke werkzaamheden. Maar vaak kwam er meer bij kijken, zoals kinderoppas, werk als naaister, secretaresse of winkelmeisje.

Als een jongeman ‘dienstbode’ was, moest hij ook hovenier, kamerdienaar, stalmeester, winkelknecht en koetsier zijn.

De ‘jongens en de maagden’ woonden bij hun werkgever/geefster ‘in de kost’, en moesten 24 uur per etmaal paraat zijn.

Om zoveel mogelijk ‘misstanden’ te voorkomen, ontstonden er tussen 1600 en 1823 diverse ordonnanties, zeg maar: een ouderwetse cao. Daarin stond de rechtspositie van de werknemer echter vaak in de schaduw van die van de werkgever.

De wettelijke positie van de dienstbode was tot 1909 geregeld in het Burgerlijk Wetboek. Daarbij werd een overheidsmaatregel als een ingrijpen in het privéleven van de werkgever beschouwd. De dienstbode werd omschreven als ‘huisgenote, met gansch haar persoon verbonden aan haar meester’.

Bij geschillen werd de meester op het woord geloofd en waren er vooral plichten voor de dienstbode.

In 1909 kwam er een verbetering tot stand voor dienstboden door de Wet tot regeling van het Arbeidscontract.

Omdat dienstboden vaak van woonplek veranderden, werden ze binnen een apart onderdeel van het bevolkingsregister geregistreerd in een Dienstbodenregister. Dit register bevatte daarnaast ook wel knechten, nijverheidslieden, schippersgezinnen, seizoenarbeiders, bewoners van gestichten en marechausseekazernes.

Mijn moeder was dienstbode van mevrouw Van Baalen in het dorp Sleeuwijk. Dat betekende dat ze de hele week van huis was. Er wordt verteld dat ze van huis zijn wel leuk vond, omdat ze dan ook stiekem met jongens kon gaan. Met een zekere Kees Sanner was het dan uit en dan weer aan. Dus waren er soms ook andere vriendjes. Bijvoorbeeld visboer Kees Baggerman. Op een regenachtige dag stond ze met haar nieuwe regenjas dicht tegen de leren jas van de jongen aan. Dat leverde een aantal moeilijk te verwijderen vlekken in haar nieuwe jas op.

Dan was er ook nog een jongen wiens naam we maar onvermeld zullen laten. Zijn ouders verboden na een poosje de omgang met dat meisje van Den Dunnen omdat ze van te arme komaf was. Dus dan toch maar die Kees van ‘de Hang’ (zoals Hank in streektaal aangeduid werd). En daardoor komt het dat ik dit na kan vertellen.

Bronnen:

– Website Yolanda Lippens

– Artikel ‘Het leven van een dienstbode rond 1900’, Nazaten De Vries,   Harm Hillinga, 2010 

Familie in oorlogstijd

Wanneer je je gaat verdiepen in de geschiedenis van je familie, kom je ook voorouders tegen die in oorlogstijd leefden. Mensen die je misschien nog hebt gekend, of waarvan je hebt gehoord. Maar wellicht ook bloedverwanten uit een wat verder verwijderde tak van de familiestamboom. Het laatste geldt voor een lid uit de familie van mijn eega.

We hebben het over Hendrik(us) Justus Barnouw, geboren in 1878 te Amsterdam, als zoon van Pieter Jacobus Barnouw en Willemina Cornelia Matthes. Hij was de jongere broer van hoogleraar en schrijver Adriaan Jacob Barnouw, die al eens eerder op deze plek is voorgesteld.
Hendrik Barnouw werkte in een boekhandel in Den Haag en later op een kantoor te Amsterdam. Hij deed Staatsexamen en studeerde vervolgens theologie aan de Rijksuniversiteit te Leiden.
Vanaf 1915 was hij vrijzinnig hervormd predikant te achtereenvolgens: Wieringerwaard, Oude Niedorp, Aardenburg, Zierikzee, Assendelft en te Woltersum.
Hij trouwde 3-8-1915 in Leiden met Anna Maria Reyst. In 1944 ging dominee Barnouw met emeritaat en werd daarna nog hulpprediker te Vries.

Kerk te Woltersum

Hendrik was predikant in het Groningse Woltersum toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Als voorman van de religieuze gemeenschap meende hij niet werkloos te kunnen toezien hoe Joodse geloofsgenoten door de Duitsers werden vervolgd. Dat bleef niet onopgemerkt. Op 6 juli 1942 werd hij samen met zijn collega’s H.L. Lieve en K.R. ter Steege door de Duitsers opgepakt omdat ze Joden hadden geholpen onder te duiken. Ze werden gevangengezet in het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort.
Na de oorlog brachten die collega’s het boek ‘Predikant achter prikkeldraad’ uit, over hun kampherinneringen, waarin zij met geen woord repten over hun collega Barnouw. Mogelijk had die een andere rol, want hij kwam 6 oktober vrij, terwijl de collega’s vast zaten tot 7 januari 1943. Boze tongen beweerden zij hun collega misschien wel te vrijzinnig vonden.
Wat Lieve en Ter Steege wel schreven, is dat zij verbijsterd waren bij zichzelf antisemitische gevoelens te constateren omdat ze het gewoon vonden dat Joden in het kamp onderaan de rangorde stonden. 

Terwijl Hendrik nog gevangen zat, besloten de Duitsers op 18 september 1944 de zeesluizen bij Delfzijl open te doen, om zo het gebied in het noordoosten van Groningen onder water te zetten. Tegelijkertijd werden overal in het inundatiegebied gaten in de dijken gegraven om het water vrij baan te geven. In doorgaande wegen werden op veel plekken dwarse sleuven gegraven en wegversperringen met omgezaagde bomen aangebracht om de doorgang voor vijandige tanks te blokkeren. De graafwerkzaamheden werden met de schop verricht door mannen die tewerkgesteld werden. Niet meegraven werd zwaar bestraft.
De Duitse bezetters wilden hiermee de geallieerde opmars naar Delfzijl en de belangrijke Eemsmonding stuiten. Ze waren niet snel tevreden, want in oktober werd opdracht gegeven om nog een groter gebied onder water te zetten. De bewoners van het te inunderen gebied kregen een brief met de melding dat hun landerijen, boerderijen en huizen in het water zouden komen te staan en werden gesommeerd om te verhuizen naar familie en vrienden in omringende dorpen. Voor hen die geen goed heenkomen konden vinden was er een evacuatiebureau dat hen woonruimte toewees. Een enorme uittocht kwam opgang. Niet alleen huisraad, maar ook vee, kippen, konijnen en geiten werden in kisten en zakken opgeladen en soms al door het water met paard en wagen naar hogere gronden vervoerd.
Dit betekende dat ook het gezin van de nog maar net teruggekeerde dominee Barnouw het dorp Woltersum vanwege het water moest verlaten.

Een probleem vormden de onderduikers, die liepen natuurlijk extra gevaar ontdekt te worden. Een bewoner van Overschild had een Joodse familie in zijn huisraad verstopt. Eén van de verhuizers zei: “Man, wat heb jij een zwaar dressoir.” Waarop het antwoord kwam: “Ja, geen wonder, daar zit ook een Jood in.” Deze wrange grap veroorzaakte een lachsalvo en niemand nam hem serieus.
Veel onderduikers bleven juist in het geïnundeerde gebied achter, omdat het daar min of meer onbegaanbaar en dus veiliger leek. Maar op 2 december was er een razzia; de landwacht ging in opdracht van de Duitse bezetter op zoek naar onderduikers.
Die inundatie, tankgrachten en wegversperringen waren eigenlijk voor niets Ze bezorgden de bevrijders nauwelijks oponthoud. Die reden gewoon om het versperde gebied heen en wisten, na een felle strijd rond Delfzijl uiteindelijk heel Groningen te bevrijden.

Al met al waren die laatste gevechtshandelingen voorafgaande aan de bevrijding van Groningen nog best heftig, getuige de brieven die Hendriks zoon Hugo ontving van zijn vriend Jur van der Meer. Deze bijna zestienjarige zoon van de lokale arts schreef naar zijn kameraad een aantal brieven, waarin hij gedetailleerd verslag deed van de dagen rond de bevrijding.

Hij schreef onder meer:

“Woensdag 18 april, ’s morgens om 6 uur zijn we dan bevrijd. De dag daarvoor werd er erg veel geschoten rondom de stad Groningen. De moffen hadden geen dynamiet meer om de sluizen in Oosterhogebrug te laten springen, zodat ze hem alleen maar omhoog hadden gehaald. Een burgerjongen is toen over ’t kanaal gezwommen en heeft de brug neergelaten. Hij is licht gewond en de Canadezen hebben zijn naam genoteerd voor een onderscheiding.

De bevrijdingsnacht was in ’t begin erg rustig en ik sliep goed. Om 5 uur werden we wakker van mitrailleurvuur, waarna we meteen de kelder indoken. In rustige ogenblikken keken we even om een hoek, maar er was niks te zien.

‘s Middags ben ik naar Woltersum geweest. Er waren vier huizen afgebrand. Bovendien had meester Meijer een schot door de buik gekregen. Hij was uit nieuwsgierigheid te snel uit de schuilplaats gekomen en is de volgende dag gestorven.

De Canadezen hadden hier geen enkele dode of gewonde, de Moffen wel. Een heeft zich in een varkenshok op het land net zo lang verdedigd, totdat de Canadezen hem half dood hebben geschoten. Het bleek een jonkie van 17 jaar, die nog veel, praats had toen ze hem naar ’t ziekenhuisje naast de school brachten. 

Ik kan inmiddels  al aardig goed Engels praten; zit veel bij de Canadezen. Ook heb ik nog een keer veel kaarsen en gort kunnen meenemen uit een Duits schip, dat door de bevolking werd geplunderd…”

Het is indrukwekkend om hier vele jaren later ook deelgenoot van te worden.

Vader Barnouw pakte het reguliere leven na de oorlog weer op. In 1955 werd hij aangereden op de fiets en als gevolg van zijn verwondingen overleed hij op 27 augustus in het Wilhelminaziekenhuis te Assen. 

Bronnen: Historisch Documentatiecentrum, De Eemslander, De Verhalen van Groningen, Reformatorisch Dagblad en Wikipedia.

  

Onze roots

Wanneer je je hebt verdiept in je roots, wil je de resultaten daarvan vastleggen en zichtbaar maken. Ik doe dat onder meer bij Geneanet, waar de informatie is verwerkt in twee verschillende stambomen.
In die van de familie Sanner zijn ook de families Van Daalen (mijn oma van vaders kant), en Den Dunnen – Dekker (van moeders kant) ondergebracht.
Om de gegevens op http://www.geneanet.org/ te kunnen inzien, moet er wel eerst ingelogd worden.

De andere stamboom betreft de familie Bernouw-Jaarsveld, de familie van mijn echtgenote Ans Bernouw.  Behalve bij Geneanet kun je het resultaat voor de familie Bernouw-Jaarsveld ook vinden via: https://www.genealogieonline.nl/stamboom-bernouw-jaarsveld/

Niet alle in de stambomen opgenomen informatie is openbaar toegankelijk. Met name die van nog levende personen is op grond van de privacywetgeving afgeschermd. Familieleden die graag een kijkje achter de schermen willen nemen, kunnen een ‘linkje’ aanvragen bij ondergetekende. Uiteraard kunnen ook onjuistheden en aanvullingen worden doorgegeven, via Geneanet of het emailadres: josan86@live.nl

Op deze schrijfsite geef ik regelmatig wat indrukken weer van wat ik zoal bij het genealogisch onderzoek tegenkom. Reacties daarop zijn van harte welkom. Helemaal onderaan deze bladzijde heb je daartoe een mogelijkheid.