Schrijfsite

Shrunk Expand

Verhalen

Wandelen in de tijd

Wanneer reizen door coronamaatregelen wordt beperkt, kun je mijmeren over de tijd dat je nog ongemoeid allerlei uitstapjes kon maken. Boeiende herinneringen die bijvoorbeeld senioren in de navolgende tekst koesteren.

Alie en Jeroen hebben nog maar net hun koffie op, als die ochtend de Regiotaxi voor de deur staat. “Familie Veldman?” vraagt de chauffeur. Wanneer ze dat bevestigen, vervolgt hij: “Stapt u dan maar gauw in, want er wordt slecht weer verwacht.”

Daar is nu nog niets van te merken, in hun woonplaats schijnt zelfs een vriendelijk zonnetje. Ze gaan op weg naar het 60-jarig huwelijksfeest van hun goede vrienden Willy en Albert in de Achterhoek.

Ongeveer halverwege de reis lijkt de chauffeur gelijk te krijgen. Er komen steeds meer wolken voor de zon. Niet veel later vallen de eerste regendruppels en dat is het sein voor een toenemende verslechtering van de weersomstandigheden. Op een zeker moment wordt het zelfs pikdonker en daarna volgt een bombardement van enorme hagelstenen. Na een poos stapvoets te hebben gereden, besluit de chauffeur nu de taxi aan de kant te zetten. Het lijkt of ze daar uren staan. De ramen beslaan en langzaam zakt de temperatuur in de auto. Alie kruipt dichter tegen Jeroen aan en na enige tijd dommelen ze beiden in.

Zo maken ze allebei een reis door de tijd. Jeroen gaat terug naar het diamanten huwelijksfeest van zijn ouders, waarvan hij zich vooral de scheldpartij tussen zijn tantes Mieke en Ria herinnert. Hun ordinaire ruzie zorgde voor een smet op de voor het overige gezellige fuif. Alie ziet een piepjonge vrijer voor zich op de knieën gaan om haar ten huwelijk te vragen. Jeroen was wel niet de boer waar ze ooit op gehoopt had, maar achteraf heeft ze toch geen spijt van haar timmerman gekregen. Leuke tijd trouwens. Uitzet aanschaffen en na de trouwdag de cadeaubonnen verzilveren. O ja, grappig van die poffertjespan! In dezelfde winkel kochten ze ook een blusapparaat voor in hun dijkhuisje met rieten dak. Dat ontlokte bij de winkeljuffrouw de uitspraak: “Nou, jullie hebben geen hoge verwachtingen van het poffertjes bakken.”    

“Hallo, meneer en mevrouw Veldman, we zijn er.”

Ze schrikken wakker en stappen stijf uit.

“Dat was me het reisje wel hè,” zegt de chauffeur. “Gelukkig zijn we -zij het een beetje later-heelhuids aangekomen.

Even later betreden ze de feestzaal. “Hee, wat leuk!” roept Jeroen. “Iedereen heeft zich in middeleeuwse kledij uitgedost. Als we dat geweten…” Verbaast ziet hij dat zijn vrouw een lange donkerrode, fluwelen jurk aan heeft. Dan kijkt hij omlaag naar zichzelf, hij draagt een blauwe tuniek met daaronder beenkappen. Veel tijd om zich daarover te verbazen hebben ze niet, want twee schitterende prinsesjes pakken hun hand en zeggen: “Komt u maar mee, opa en oma zitten daar.”

“O, wat fijn dat jullie er ook zijn,” begroet Willy hen enthousiast, “ga gauw zitten voor de koffie. Straks praten we wel bij.”

Vooralsnog wordt er al met de andere genodigden heel wat af gebabbeld. “Zestig jaar al weer,” roept een man met een enorme hangsnor. “Wat vliegt de tijd,” vult zijn vrouw aan. Ze heeft een omvang die nauwelijks op één stoel past. “Ook de kilootjes vliegen er in verloop van tijd aan,” grapt een ander, als zij even de andere kant opkijkt.

Al snel verschijnt er pompoensoep met oerbrood en droge worst, die vele hongerige magen vult.

Dan staat Albert, de bruidegom dus, op en zegt. “Beste mensen, om deze maaltijd goed te laten verteren, stellen wij een wandeling voor op dit fraaie landgoed”.

Ze volgen hem door prachtige lanen, langs Rhododenbosjes en eeuwenoude eiken. Een pauwenverblijf met een smeedijzeren hek, een ijskelder en langs sierlijke stinsenvegetatie. Via een brug over de slotgracht komen ze bij de bijgebouwen van het kasteel. Meteen bij het betreden van een daarvan komt de indringende, maar aangename geur van paarden hen tegemoet. Een in officieel kostuum uitgedoste stalmeester heet hen van harte welkom. “Bekijkt u rustig onze paardenverblijven, de expositie van paardentuig, zadels en hoefijzers. Ook ziet u enkele historische rijtuigen, die op dit landgoed in gebruik zijn geweest. Aan het eind staan enkele koetsen klaar, met wie u desgewenst een tochtje kunt maken.”

Dat lijkt Alie en Jeroen ook wel wat en zo laten zij zich door een vriendelijke koetsier, die misschien wel net zo oud is als het kasteel, in een authentiek rijtuig helpen. Een tijdje volgen zij een zandpad en dan klinken de paardenhoeven op stenen klinkers. Ze rijden een dorp binnen en stoppen nabij de oude kerk. Het orgel speelt een prachtig concerto van Joseph Hayden, maar de koetsier laat hen uitstappen en wijst op een klein poortje. “Gaat u daar eens kijken.”

Ze bereiken een idyllisch pleintje, waar lokale boeren hun producten verkopen. Op gezellige terrasjes kunnen ze allerlei lekkere gerechtjes proeven, gemaakt van echte streekproducten. Gerookte beenham, schapenkaas, honing, vliersiroop, bovengistend bier, enzovoort. Ze wanen zich op een middeleeuwse markt. Onder de uitnodigende kramen bevinden zich er ook met allerlei sierlijk handwerk. Van gebreide sokken tot houtsnijwerk en van dromenvangers tot sierraden. Jeroen besluit zijn eega een mooie zilveren hanger cadeau te doen.

Dan is het weer tijd om met de koets terug te keren. Zachtjes klinken de paardenhoeven en doen Alie en Jeroen indommelen. Opnieuw worden zij opgeschrikt door een mannenstem, die zegt: “Bij de volgende kruising rechtsaf.” Het is het navigatiesysteem van de Regiotaxi. Niet lang daarna gevolgd door de stem van de taxichauffeur: “Zo, meneer en mevrouw Veldman, we zijn er.”

Het witte kerkje

Heb jij dat ook, dat je soms langs een markant bouwwerk komt en denkt: Wat is dat toch voor een gebouw, zou het misschien heel oud zijn? Andere keren is het op zich heel duidelijk een kasteel of een kathedraal, een pakhuis aan een gracht of een woonhuis met trapgevel in een oude stadskern. In zo’n geval denk ik: Wat zou zo’n oud gebouw ons veel kunnen vertellen als het de gave van de taal bezat. Het staat misschien al eeuwen op dezelfde plaats, zag generaties mensen komen en gaan, vele gebeurtenissen en ontwikkelingen voorbijtrekken.

Ik probeer me zoiets ook voor te stellen bij een markant gebouwtje, dat in de volksmond bekend staat als ‘Het witte kerkje’. Om er te komen moet je op de snelweg afslag 19 nemen en dan de dijk langs de rivier in oostelijke richting volgen. Aan je rechterzijde kun je genieten van prachtige natuurgebieden in de uiterwaarden. Op de achtergrond de contouren van de buitenwijken van een provinciehoofdstad. Links een gevarieerd landschap met uitgestrekte weilanden, landbouwakkers en tuinbouwgronden. Na enkele kilometers kun je daarin naar beneden afslaan en via een parallelweg verder rijden. Deze weg voert naar een kleine dorpskern met zo’n 250 inwoners. Bij een T-splitsing ga je links een kort straatje in. Ongeveer halverwege tref je aan je rechterhand het beoogde object. Een bouwwerk met een karakteristieke aanblik, voorzien van een kleine torenspits en inderdaad wit geschilderd.

Kijk, de deur gaat al open en een krakende oude mannenstem roept: “Komt u gerust verder.”

Wanneer de gasten een beetje van de verbazing zijn bekomen als ze geen spreker zien, klinkt de stem weer: “Hartelijk welkom, beste mensen. Fijn dat u mij met een bezoek wilt vereren. Ik hoop dat u even tijd hebt, dan kunnen we gezellig wat praten. Want ik -dit gebouw dus- sta nu al weer enige tijd leeg. Als laatste was hier een Atelier gevestigd, met ruimte voor cursussen, concerten en exposities. Eerlijk gezegd liep het daar al niet storm, maar COVID-19 zorgde voor de definitieve sluiting.”

Het gebouw kucht even, voor het vervolgt: “Deze plek is al heel lang bewoond. Dat bleek toen in 1946 potscherven werden gevonden die terug konden worden gebracht tot de Karolingische tijd (ca. 725 – 1050 na Chr.). Over wat daarna volgde, verschillen de meningen. Geschiedenis steunt vaak op overleveringen en legenden. Een gebeurtenis, op grond van waarheid, wordt omgeven door verhalen die we nog moeilijk van de oorspronkelijke echte feiten kunnen onderscheiden. 

Zo zouden genoemde scherven verwijzingen bevatten naar vrouwe Sara Catharina, een rijke dame die op een landgoed in de buurt woonde. Uit dankbaarheid voor haar rijkdom wilde zij een kapel op haar landgoed bouwen. Maar wat overdag opgetrokken werd, vond men de volgende morgen vernield. Volgens de overlevering zagen mensen op een andere plaats ’s nachts herhaaldelijk een lichtje branden. Sara Catharina besloot een poging te wagen om hier haar kapel te bouwen. Bij de voorbereidende graafwerkzaamheden werd een Mariabeeld opgegraven. Het bleek dat het nieuwe bouwwerk nu wel bestendig was en het opgegraven beeld kreeg er een prominente plaats in.

Een en ander trok vele nieuwsgierigen aan, die en kijkje kwamen nemen en de kapel uitermate geschikt vonden voor een stil gebed. Groot was hun verwondering wanneer bleek dat zij na hun bezoek genezen waren van de kwaal of ziekte waaraan zij leden. Daardoor kreeg de kapel de naam van ‘O.L.-Vrouw Behoudenis der Kranken’, met als gevolg dat bedevaarders in groot getal toestroomden.”    

Het blijft even stil na dit plechtige betoog. Voor ons gelegenheid om een blik door het raam te werpen naar de beetje verwilderde, maar alsnog prachtige binnentuin.

“Gaat u desgewenst gerust even in de vensterbank zitten,” zegt onze gastheer, “andere zitplaatsen kan ik u helaas niet aanbieden. Om de schulden te dekken is de hele inboedel verkocht.”

Terwijl wij het ons zo gemakkelijk mogelijk maken, gaat het verhaal verder.                      

“Een andere overlevering is dat er op deze plaats in de middeleeuwen een gasthuis stond, daterend van vóór 1340, waarin zwervers en hulpbehoevenden werden opgenomen. Dat gasthuis werd in 1830 gesloten. De kasgelden en de goederen werden aan het gemeentebestuur overgemaakt, die het Gasthuisfonds in het leven riep. Met behulp van dit fonds werd een protestantse school gerealiseerd. En dat was feitelijk best bijzonder, want de dorpskern was een protestantse enclave in een overwegend Rooms Katholieke gemeente. Die protestanten waren kerkelijk ingelijfd bij de stad aan de overzijde van de rivier. Aanvankelijk hielden zij hun diensten bij iemand thuis. In 1892 kocht de kerkelijke gemeente een sober gebouwtje even verderop. Er stonden zo’n veertig stoelen en een katheder in.”

Het gebouw, zoals vermeld dus onder meer een voormalige school, schraapt nog naar eens zijn keel, om daarna te vervolgen:  “De school werd waarschijnlijk in 1909 gebouwd. Er waren voor de zeven klassen twee leerkrachten, een onderwijzeres en de hoofdonderwijzer. Later kwam er voor het schoolhoofd een woonhuis aan de voorkant van de school. De school moest in 1935 worden opgeheven. Vanaf dat moment was het dorp voor zijn onderwijs afhankelijk van grotere plaatsen in de omgeving.

Enkele dorpelingen zetten zich er echter voor in om het gebouw te behouden en er een kerkbestemming aan te geven. Op 7 maart 1939 was het zover dat de feestelijke opening kon plaatsvinden. De kerk werd bezocht door leden van de ongeveer tien protestantse gezinnen in de dorpskern.

In de tweede wereldoorlog veroorzaakten de geallieerden ten zuiden van de rivier met hun artillerie enkele gaten in het kerkdak. Jonge lidmaten namen met gevaar voor eigen leven de reparatie ter hand.

Door terugloop van kerkbezoekers moest de kerk in 1975 gesloten worden. Na een emotionele oudjaarsdienst op 31 december is de kerk met woonhuis verkocht en de inboedel verdeeld.”

De verteller bemerkt dat zijn gasten het koud beginnen te krijgen. Daarom neemt hij zich voor het verhaal snel af te ronden. “Zoals gezegd vestigde zich er daarna nog een Atelier in. De verdere toekomst van het gebouw is echter onzeker.”

“Daarom proberen we er nu nog wat van te maken,” klinkt opeens een andere stem. Een zijdeur is ongemerkt opengegaan en daaruit verschijnt een stevige vrouw met een kerstmuts op. “Sorry, als wij storen, maar wij hebben hier als buurtvereniging een afspraak. Blijft u allemaal lekker hier.”

Vervolgens ontstaat er een drukte van jewelste. Mensen slepen van alles naar binnen en gaan daarmee aan de slag. Gasten worden waar mogelijk betrokken, met als resultaat: een versierde kerstboom, brandende kaarsjes en lekker warme glühwein. Er wordt geproost en het gebouw roept: “Vrolijk kerstfeest allemaal!”

Tijdreis

Inmiddels wordt er al weer volop gereisd, maar tot voor kort was er door corona sprake van wat lastige trips. Zoals even met het vliegtuig naar Londen voor een werkafspraak, een weekendje Barcelona of tien dagen naar de VS. Wel sterk toegenomen verkeersbewegingen waren afkomstig van pakketbezorgers.
Zo’n pandemie biedt alle gelegenheid om eens te mijmeren over hoe dat vroeger ging. Bijvoorbeeld in de tijd van Hendrik Bockhorst, zo’n driehonderd jaar terug.

Trekschuit, aquatint C.C. Fuchs, ca. 1810

Hendrik was de zoon van een rijke koopman uit Amsterdam. Zijn vader had het leven van zijn nageslacht een poosje aangezien en was toen tot de slotsom gekomen dat hij zijn ouderlijk gezag maar eens moest laten gelden.

“Beste jongen,” zo sprak hij, “ik ben van mening dat je lang genoeg geluierd hebt. Wil je ooit iets bereiken, dan is het nu tijd om aan te pakken. Ik stuur je naar een zakenrelatie, een kaasboer -als ik het zo mag uitdrukken- in Gouda. Slaag je in die opdracht, kun je terugkomen en later wellicht mijn taak overnemen.”

Om die bestemming te bereiken kon Hendrik niet even snel op de trein stappen, of een autootje van zijn vader lenen. Rond 1800 bestond nog maar 165 kilometer van het wegennetwerk in ons land uit verharde straatweg, vooral in steden. Daarbuiten zakten de rijtuigen en karren tot aan de assen in de modder, of verging je op de zandpaden van het stof. Vooral in waterrijke gebieden vond daarom het vervoer van mensen en goederen over water plaats. Het was een relatief snelle manier, goedkoper en redelijk veilig. Daarnaast konden er meer goederen meegenomen worden dan per kar en paard, hoewel dat door allerlei handelsbelangen geruime tijd niet optimaal functioneerde.

Op een zonnige ochtend in begin mei werd Hendrik door een personeelslid van zijn vader met een koets bij uitspanning ‘Berebijt’ afgeleverd. Tegen zeven uur meldde hij zich bij schipper Barend Swart van de ‘Aalscholver’. Heel enthousiast was de jongen niet, want een trekschuit, man, een suffer imago kon een vervoermiddel niet hebben. Niet voor niets werd in stadse kringen grappend gezegd ‘Die is zeker met de trekschuit gekomen’, over lieden die niet helemaal bij de tijd waren. Bovendien zou die reis acht uur duren, mits het aanleggen onderweg niet langer duurde dan strikt nodig was. De pijn werd gelukkig een beetje verzacht door de aanwezigheid een jonge stadsgenote, die eveneens aan boord van de Aalscholver stapte. Behalve dat ze bijna voortdurend in de weer was met een paar breipennen, was het wel leuk om een beetje met haar te babbelen. Ze bleken veel gemeen te hebben. Jacomina’s vader had een wasserij in de hoofdstad, maar de vuile was van Amsterdam werd voor een belangrijk deel door Goudse blekerijen gereinigd!

“Dat wasgoed behoort tot de stukgoederen van deze veerdienst, waarvoor een gedetailleerd tarief geld,” vulde Swart aan.

“En behoort het tot jouw taak om deze vracht naar Gouda te begeleiden?” vroeg Hendrik aan zijn reisgenote.

“Nee, dat kan de schipper zelf wel. Ik ben door mijn vader weggestuurd om praktische ervaring op te doen als dienstbode bij een adellijke familie in de kaasstad.”

Intussen gleden ze gemoedelijk over het rustige wateroppervlak van de Amstel. De trekschuit werd getrokken door een paard, dat met een lijn was verbonden aan de trekmast van de schuit.  Terwijl de schipper aan het roer stond, leidde een knecht het paard over het smalle jaagpad langs het water. Soms werd dit paard wordt ook bereden door die knecht. Alleen bij bruggen werd er afgehaakt, en eenmaal er onderdoor weer aangehaakt.

Nadat ze de buurtschap Nessersluis waren gepasseerd, wees Hendrik op een riant buitenhuis aan de waterkant. “Ik hoop dat de kaashandel een beetje winstgevend is, want in zo’n huis zou ik wel willen wonen.”

“Nou, dan heb je er ook nog wel een paar zakken geld van je vader bij nodig,” lachte schipper Swart.

Hendrik richtte zich daarop tot zijn reisgenote: “Heb jij ook toekomstplannen?”

Jacomina keek op van haar breiwerk. “Ik hou van kinderen, dus probeer ik een rijke jonker aan de haak te slaan om een gezin mee te stichten.” Ze lachte even en voegde toe: “Nou, nee hoor. Ik zou al blij zijn als ik een paar stuivers kan sparen voor mijn uitzet.”

Hendrik vond het blosje op haar wangen goed staan.

De reis leverde geen grote problemen op. Zonder alle details te vermelden, kan samengevat worden dat ze via de Drecht, Aar en de Gouwe keurig volgens schema de aanlegplaats in Gouda bereikten. Daar namen ze afscheid, waarbij Hendrik tegen Jacomina opmerkte: “Misschien ontmoeten we elkaar in deze stad nog wel eens.”

De ontvangst op zijn werkplek was heel anders dan dat Hendrik zich had voorgesteld. Op een grote boerderij buiten de stad werd hij meteen verzocht een kaasbrik mee te gaan laden. Met deze door een paard voortgetrokken wagen werd de ter plaatse geproduceerde kaas naar de Waag in Gouda vervoerd. Half in de avond waren ze terug in de boerderij. Hendrik was doodop en had honger als een paard. Tot zijn verbazing at hij niet bij het gezin van zijn werkgever, maar bij het personeel in een ruimte op de deel.

Pas de volgende ochtend ontmoette hij zijn werkgever. “Iemand die bij mij het vak van handelaar wil leren,” heette hij de jongen welkom, “moet onderaan beginnen met het vervaardigen van het te verkopen product.”

Dat kaasmaken vond Hendrik zeer vermoeiend en smerig werk. Hij hield het dan ook niet lang vol. Daarbij kwam ook dat de andere bedienden hem als Amsterdammer niet echt in hun midden accepteerden. Nauwelijks een maand later stond Hendrik op straat. Hij durfde niet terug te keren naar zijn vader en zwierf daarom enige tijd door de stad.  Tot hij op een dag aan de haven Barend Swart ontmoette.

“Hoe is het je vergaan, jongen?” vroeg de schipper.

“Nou, eerlijk gezegd, niet zo best. Ik ben weggestuurd door mijn werkgever en weet nu eigenlijk niet zo goed wat ik moet doen.”

Swart keek hem een poosje indringend aan. “Misschien weet ik wel wat, maar dan moet je er helemaal voor gaan!”

Naast de zorg voor personen en goederen had de schipper ook de taak om voor het berichtenvervoer te zorgen. Brieven en pakjes werden meestal bij hem aan huis bezorgd. In de stad aangekomen gaf hij ze over aan bestellers die voor de aflevering zorgden.

“Martinus is zo’n besteller en gaat binnenkort verhuizen naar Rotterdam,” lichtte Swart toe.

Hendrik ging een paar keer met Martinus mee. De eerste indrukken waren positief. Het werd nog spannender toen hij op een keer bij een herenhuis aan een gracht een pakje moest afgeven. Daarbij ving hij een glimp op van de dienstbode. Juist, hij herkende haar meteen, maar ze was weg voor hij iets kon zeggen. Later zag hij Jacomina nog een keer op de markt, waar ze stroopwafels voor haar mevrouw kocht. Toen durfde hij haar niet meer aan te spreken. Zo’n leuke meid wilde vast niets van een sukkel als hij weten.

Nadat hij de aanstelling als besteller had verkregen, was ze niettemin nog steeds in zijn gedachten. Daaruit ontsproot uiteindelijk een plan. Bij een volgende postbezorging aan het betrokken herenhuis, vond men daar een brief gericht aan mejuffrouw J. Lambion.

Korte tijd later troffen ze elkaar op de Markt vóór het Stadhuis. En na misschien een jaartje troffen ze elkaar IN het Stadhuis.

En hoe hun levensreis verder verliep, houden we uit privacyoverwegingen achterwege.    

  



Comments are closed.