Schrijfsite

Shrunk Expand

Verhalen

Lief dagboek

In 1964 begon ik aan een dagboek. Ik schreef daarin wat mij bezighield. Belangrijke gebeurtenissen, maar ook alledaagse dingen. Bijvoorbeeld het overlijden van mijn oma, of het afscheid van de LTS.

Eerder kwamen mijn notities en plakboeken aan de orde. Vanaf 1964 ging ik een dagboek bijhouden. Het schrijven bood ook een stuk troost om kwijt te kunnen wat me dwars zat. Lange tijd heb ik mijn dagboeken gekoesterd. Uiteindelijk besloot ik ze mede te gebruiken voor een samenvattend levensverhaal en nog weer later voor de teksten op deze schrijfsite. 

Het jaar 1964 kende een triest begin. Op 5 januari overleed oma Sanner, de moeder van mijn vader. Ik herinner mij haar als een zachte, lieve vrouw, die ondanks haar grote gezin toch ook tijd vrijmaakte voor ons als kleinkinderen. Zus Hennie en ik hebben ook wel eens bij opa en oma Sanner aan de Buitendijk in Hank gelogeerd. We sliepen dan op de zolder, samen in één tweepersoons bed. In de kelder rook het heerlijk naar kafappels. Ongetwijfeld speelden we met neefjes en nichtjes die in de buurt woonden en misschien vingen we wel een glimp op van de sjieke voorkamer. 
Verder weet ik weinig meer van het overlijden zelf, of ze ziek was of plotseling overleed. Extra triest was wel dat het precies op de verjaardag van mijn moeder gebeurde.

Op een andere dag in januari hadden we vanwege een zieke leraar een extra lange middagpauze op school. Buiten lag een laag sneeuw van minstens tien centimeter. We trokken door het centrum en vandaar naar het gebied ‘Buiten de Waterpoort’, waar we ons op het campingterrein langs de rivier de Merwede uitleefden door elkaar met sneeuwballen te bekogelen.
Halverwege het schiereiland kwamen we langs een paar gebouwtjes, waar de strandgasten zomers ijs en limonade konden kopen. Daarnaast een leegstaande woning, met in de kopgevel een flinke ruit.
“Zullen we?” stelde Rien voor, met een sneeuwbal in de hand. Aangezien Otto en ik aarzelden, wierp hij als eerste zijn projectiel, dat echter huizenhoog overging. Dat konden wij beter. Enkele sneeuwballen later was de ruit geheel aan diggelen.
Het hele verhaal over deze herinneringen aan de LTS is onder meer opgenomen in de bundel ‘Doorloper’ (2009). Samengevat komt het er op neer dat we de volgende morgen bij de directeur van onze school werden geroepen. Via een vrouwelijk inspecteur kregen we de rekening voor het vernielen van die ruit gepresenteerd. Die mevrouw gaf ons ook de opdracht voor het maken van een houten kozijn voor haar eigen huis. Het hout mochten we van school gebruiken; het werk moesten we in onze vrije tijd doen. De inspecteur betaalde ons daar evenveel voor als wij aan de politie hadden betaald.

Ik vermoed dat wij dit mede te danken hadden aan onze klassenleraar de heer Van Straten. Een aardige, rustige man, meer een vaderlijk type, gericht op het beste uit zijn leerlingen te halen.
Ik kon trouwens -in tegenstelling tot veel andere klasgenoten- ook goed overweg met de heer Verbiezen, de tekenleraar.
Beide mannen hadden al snel door dat mijn kracht meer op het theoretische dan op het praktische vlak lag. Zij probeerden mij op verschillende manieren aan te moedigen. Dit had als gevolg dat mijn Timmeren van een zes naar een zeven kon worden opgewaardeerd. Daarnaast verschenen er tekeningen met negens en tienen er op. Op mijn eindrapport een 8 voor Vaktekenen en een 9 voor Technisch schetsen. In combinatie tot de resultaten voor de andere vakken kon daaraan worden toegevoegd dat ik ‘met lof gediplomeerd’ werd. 

Ter gelegenheid van ons afscheid organiseerden de leerlingen van alle hoogste klassen een gezellige ‘TV-avond’ voor ouders en belangstellenden. Uiteraard waren er de bekende programmaonderdelen als het Journaal, Sport in beeld en Top of flop. Maar er was ook een optreden van ‘Het Vollemaansorkest’, gevormd door de leerlingen van onze Timmeren 3a. Al weken van te voren waren wij begonnen met de voorbereidingen, die in eerste instantie vooral bestonden uit het vervaardigen van een eigen houten muziekinstrument. Ik had voor een saxofoon gekozen en het resultaat daarvan zag er volgens mijn familieleden prachtig uit. Vervolgens gingen we oefenen in het playbacken van een aantal bekende liedjes, zodat ons optreden er een beetje geloofwaardig uit zou zien. Zelfs onze ‘zangeres’ slaagde daar heel behoorlijk in. Ma en Hennie bleken vooral gelachen te hebben om onze eerste violist Otto.

Echt typerend voor een dagboek zijn de belevenissen met mijn eerste vriendinnetje. Uit privacy oogpunt zal ik daar maar niet over uitweiden. Ik kan wel melden dat ik haar bijna vijftig jaar later nog eens ontmoette en vaststelde dat zij best een charmante vrouw was geworden. 

 

Plakboeken

(Geplaatst april 2024)

Mensen verzamelen allerlei dingen omdat alle voorbij gaat. Foto’s, aantekeningen en herinneringen houden het verleden vast. Ook ik heb mijn hele leven dingen bewaard, ingeplakt en opgeschreven. En dat is best handig wanneer je later je belevenissen met anderen wilt delen.

Het bewaren is bij ons een soort ‘familiekwaal’. Vooral mijn moeder was er heel sterk in om van alles te verzamelen en in plakalbums te stoppen. Soms schreef ze er ook toelichtingen bij. Wanneer je daar doorheen bladert zie je dat het een weerslag omvat van allerlei lief en leed. Vaak betreft het ook kleine, heel alledaagse dingen die het leven van ons moeder vulde. Mijn oudste zus liet na haar overlijden eveneens een indrukwekkende hoeveelheid albums na.

Mijn eerste plakboek begint met materiaal van de eerste klas van de Lagere School en eindigt zo’n beetje bij het afscheid van de LTS. Helemaal consequent was ik niet, want ook in album nummer twee kom ik weer allerlei dingen uit beide perioden tegen.

Soms moet je wat voorbij is echter ook loslaten om verder te kunnen. Wanneer er steeds meer mensen om je heen wegvallen, ga je over verschillende dingen genuanceerder denken. Daarom ben ik later mijn voorraad albums gaan uitdunnen, omdat ik het idee kreeg dat ze vooral voor mezelf boeiend waren om mijn herinneringen te koesteren en er later wellicht niemand meer naar kijkt. Maar ik probeer wel de lezers van deze site in mijn bevindingen mee te laten delen. Hopelijk tot wederzijds genoegen.

In die plakboeken onder meer aandacht voor het huwelijk van zus Corry met haar verloofde Arie, op een winterse dag in november 1962, vrijdag de 23e om precies te zijn. Buiten lag er sneeuw en het was glad. Het huwelijk werd voltrokken op het gemeentehuis te Werkendam. De kerkelijke bevestiging vond plaats in de Gereformeerde kerk te Nieuwendijk.
In mijn plakalbum een mooie trouwfoto van het bruidspaar, in zwart-wit toen nog. Met zus Hennie als bruidsmeisje. Daarnaast een opname van drie stoere knullen: Rokus (m) en Bertus (r), de jongste broers van Arie en als derde Jo (l), de jongste broer van Corry (of te wel: de schrijver van deze tekst). ’s-Avonds werd het feest gevierd in het verenigingsgebouw ‘Ons Huis’ aan de Kildijk. Het kersverse echtpaar ging wonen in een salonwagen nabij ons ouderlijk huis.

Na een half jaar werd de salonwagen naar Werkendam verplaatst en drie maanden later naar Ter Heijde aan Zee. Daar werkte Arie als draglinemachinist aan de versterking van de zeekust. Dit had onder meer voor mij het prettige voordeel dat ik in de Pinkstervakantie een paar dagen bij hen mocht logeren. Dat moest wel duur betaald worden, want ik verstuikte er mijn enkel en dat bleef jarenlang een zwakke plek.
Na een maand of negen begonnen veel spullen bij mijn zus en zwager door het zeewater te roesten. Gelukkig stond op dat moment aan de Kerkweg in Nieuwendijk een dijkhuis te koop en konden ze weer verhuizen.  

Inmiddels zijn we dus in 1963 beland. In die tijd was er sprake échte winters. Vanaf november 1962 vroor het bijna drie maanden achterelkaar. In de Waddenzee lagen ijsbergen. Sneeuwduinen bereikten een hoogte van 3 meter. Op 18 januari 1963 daalde de temperatuur in Joure tot 21 graden onder nul en juist die dag werd de Elfstedentocht gereden. Slechts 1 procent van de deelnemers bereikte de finish in Leeuwarden, met als glorieuze winnaar Reinier Paping. Hij had 22 minuten voorsprong op Jan Uitham, de nummer twee, die nog even terug was gegaan om zijn gevallen metgezel Jeen van den Berg overeind te helpen, die tegen een brug was gereden.

Later in dat jaar moest ik op een vrijdagmiddag naar het ziekenhuis te Raamsdonkveer, om amandelen geknipt te worden. Op maandagochtend mocht ik weer naar huis. Ik kan me daarvan nog herinneren dat ik de enige tiener in de wachtkamer was. Het waren vooral peuters en kleuters die onder het mes moesten. Om het lange wachten door te komen en waarschijnlijk  ook om mij een beetje op het gemak te stellen, deed een assistente een partijtje biljart met me. Later waren ook de nonnetjes in het ziekenhuis erg lief voor ‘hun jongetje’.

Aan de hand van de foto’s in mijn plakboeken probeer ik een beetje te reconstrueren wanneer ons vertrouwde woonomgeving een nogal ingrijpende verbouwing onderging. In ieder geval was er in 1960 nog sprake van een bouwwerk met een nostalgische uitstraling. De rieten kap en de zwarte, houten delen van de aangebouwde schuur verwezen nog duidelijk naar de agrarische oorsprong. De bouwaanvraag voor de door mijn vader voorgestane verbouwing zit ook nog in een van mijn plakboeken. Helaas is de tekening niet van een datum voorzien. De voornaamste onderdelen van de aanvraag bestonden uit van vervangen van de rieten dakbedekking door pannen, waarbij het dakvlak aan de voorkant een flink stuk omhoog werd getrokken. De achterkant zou later volgen. Daarnaast werd er een nieuw raamkozijn in de woonkamer geplaatst en daarboven een drietal kozijnen ten behoeve van drie slaapkamers. Ik vermoed dat de verbouwing in 1961 een aanvang nam.
Op een foto uit 1962 is in ieder geval te zien dat het woonkamerkozijn inderdaad geplaatst is. Een foto uit 1963 laat een gehele metamorfose zien:  Een wit huis, met dakpannen. De houten schuurdelen zijn vervangen door steen en om al die verschillende kleuren baksteen weg te werken was alles met muurverf ingestreken.

Uit andere plaatjes weet ik, dat later ook de kopgevel aan de schuurkant geheel in steen opgemetseld werd, maar niet wit geverfd. Intussen was ook binnen het een en ander aangepast en gemoderniseerd. Feitelijk was dit een ‘grote operatie’ ineens. Verder vonden er niet voortdurend, maar toch wel met zekere regelmaat allerlei opknapwerkzaamheden plaats.    

Kerk en jeugd

(Geplaatst maart 2024)

De school nam in mijn jeugdige leven een belangrijke plaats in. Maar ook de kerk speelde in die tijd een voorname rol. Kerkdiensten behoorden tot de verplichte kost, jeugdwerk was meer vrijblijvend en lag mij eigenlijk wel. Terug weer even naar het begin van de zestiger jaren

Wanneer ik er precies mee begon weet ik niet meer, maar ik maakte aantekeningen op schriftblaadjes over wat mij bezighield. Soms schreef ik elke dag een stukje, andere keren een samenvatting per week. Jaren later kwam ik ze weer eens tegen. Op dat moment had ik een opruimbui en gooide een deel ervan weg. Gelukkig bleef een aantal blaadjes gespaard. In het kader van deze serie verhalen over mijn jeugdherinneringen komen ze goed van pas.

Zo lees ik bijvoorbeeld dat we op zondag veelal naar de Gereformeerde kerk gingen, vaak twee maal, soms één keer. Vooral wanneer er Avondmaal gevierd werd, was dat erg saai. Als jeugd zaten wij er voor spek en bonen bij en het duurde vreselijk lang. Telkens liep een groep mensen naar voren en ging aan een lange tafel zitten. Bij het uitdelen van brood en wijn werden door de predikant tevens steeds dezelfde begeleidende woorden uitgesproken. En dat gebeurde meerdere keren achter elkaar. Tot alle aanwezige ‘belijdende leden’ een mogelijkheid tot deelname was geboden.  

De dominee kwam gewoonlijk één keer per jaar op huisbezoek. Erg goede herinneringen heb ik daar niet aan. Er werd van ons als kinderen verwacht dat wij er op zo’n avond minstens toch wel even bij waren. We kregen veelal zware kost te  horen,  of gekibbel met pa, die Hervormd was en nogal kritisch ingesteld over de kerk. Soms vielen er ook pijnlijke stiltes of maakte de predikant voor de zoveelste keer een opmerking over onze kolenhaard. 

Na afloop van de middagdienst ging ik vaak naar de Knapen Vereniging (KV), een kerkelijke jeugdclub waar op een min of meer speelse manier aandacht werd gegeven aan Bijbelse verhalen. Bij andere kerkelijke genootschappen hadden ze een vergelijkbare ‘Zondagschool’.
Bij de club van 8-12 jaar lag de nadruk op het vertellen van een verhaal, wat zingen en soms een spelletje of een tekening maken. De club voor jongens van 12-16 stond onder leiding van een ouder gemeentelid.  Meestal had iemand een inleiding over een Bijbelse onderwerp gemaakt, of waren er een paar vragen over een Bijbelgedeelte verzameld. Daar werd dan in het algemeen of in groepjes over gediscussieerd.
Zo af en toe was er ook een apart gezellig avondje van de KV. Ik mocht daartoe een keer met een ander clublid een quiz voorbereiden. Het werd op een vrijdagavond gehouden. Er  waren allerlei lekkere hapjes en het werd voor ons doen ook best laat. Maar alle ‘knapen’ die op de LTS zaten, zoals ik, kregen van de voorzitter een brief mee voor school zodat ze zaterdagochtend lekker thuis konden blijven.

Op een avond in februari vond de ‘Jaarvergadering’ van de knapen- en meisjesvereniging plaats. Blijkbaar was er op dat moment al van enige modernisering sprake, want er werd nu gesproken over de jongensclub ‘Benjamin’, die deze avond met de meisjesclub ‘Mirjam’ verzorgde. Onze Hennie mocht meewerken aan de openingsliturgie. Daarna volgde de jaarverslagen, een Bijbels onderwerp vanuit de meisjesclub en enkele voordrachten. Na de pauze (waarin we op chocolademelk met een gevulde koek getrakteerd werden) was aan mij de eer om namens de jongens mijn onderwerp over de profeet en priester ‘Samuël’ voor te lezen. Dan waren er nog wat toneelstukjes, voor de dominee het slotwoord uitsprak.

In mei 1962 deed onze LTS mee aan een actie voor de Dierenbescherming. Als deelnemers ontvingen wij elk een zogenaamd ‘beginpakket’, met daarin 8 theelepels, 3 asbakken, 2 broches, 1 sleutelring, 1 suikerschep, 1 borsteltje en 3 ballpoints. Daarnaast was er een lijstje met nog wat andere mogelijk te bestellen artikelen. De bedoeling was natuurlijk om in je eigen omgeving langs de deur te gaan en zo veel mogelijk spullen zien te verkopen. Hoe succesvol ik geweest ben, weet ik niet meer. Ik vermoed echter dat ik niet heel dol op dergelijke activiteiten was.

In juni deed de school mee aan de avond-wandelvierdaagse in Gorinchem. Van maandag tot en met donderdag liepen wij elke avond zo’n tien kilometer. De laatste avond was het meest indrukwekkend. Natuurlijk was je allereerst een beetje trots dat je het gehaald had. Verder was het ook mooi om tussen de bijna 2400 wandelaars met muziekkorpsen ingehaald te worden op de Grote Markt in de stad, met vele toeschouwers langs de route. Onder de muzikanten bevond zich de drumband van ‘Crescendo’ uit Nieuwendijk. Onze school ontving nog een prijs voor het percentsgewijs grootst aantal leerlingen van alle deelnemende scholen.

Aan het eind van het eerste leerjaar werd ik bevorderd tot de tweede klas. Op mijn rapport verschenen twee negens, negen achten, drie zevens en twee zessen. Het viel op dat ik juist voor de technische vakken het laagst scoorde. Misschien had onze hoofdonderwijzer dan toch gelijk gehad? In ieder geval had ik het eigenlijk goed naar m’n zin en inmiddels was mijn keuze voor het vervolg van de studie op de richting timmeren gevallen.

Op 28 augustus begon het nieuwe cursusjaar.  Voor het zover was, ging ik eerst met zus Hennie nog een weekje op vakantie bij broer Jan in Amsterdam.

  



Reacties zijn gesloten.