Schrijfsite

Shrunk Expand

Verhalen

Twaalf eieren, dertien kuikens!

Dat schijnt een oud gezegde te zijn voor een onverwacht fortuintje. Daar is bij mij op zich geen sprake van, maar het past wel mooi bij mijn voornemen iets te schrijven over eieren en cijfers rondom Pasen.
Naar verluid zijn veel van de Paastradities afkomstig uit eeuwenoude lentefeesten van andere culturen en religies. Daarbij zijn eieren een symbool voor vruchtbaarheid, nieuw leven, wedergeboorte en het naderende lenteseizoen.
Zo zouden Germanen eieren in akkers hebben begraven, zodat die akkers op hun beurt vruchtbaar  werden. Angelsaksen noemden de maand april “Eosturmonath’’, naar de vruchtbaarheidsgodin Ēostre. Zelfs de Engelse naam voor Pasen, ‘Easter,’ wordt met haar naam in verband gebracht. Andere Europeanen vierden eeuwen geleden elke lente de terugkeer van hun zonnegod.
Volgens een oude legende keerde Ēostre na een strenge winter te laat terug. Hierdoor overleed een vogel in de sneeuw. De vruchtbaarheidsgodin voelde zich schuldig over de dood van het diertje. Daarom veranderde zij deze vogel in een sneeuwhaas, die één dag per jaar gekleurde eieren kon leggen. Dit zou dan de oorsprong zijn van waarom wij eieren schilderen met Pasen. 

Met de komst van het christendom werden deze tradities aangepast aan het nieuwe geloof. Het karakter van een voorjaarsfeest bleef, maar de verwijzing naar een vruchtbaarheidsgodin verdween. In plaats daarvan werd de opstanding van Christus herdacht. Sommige christenen zagen het paasei als een symbool daarvoor. In Orthodoxe kerken verfden zij eieren rood als symbool voor het bloed van Christus. Het hardgekookte ei zagen zij als een symbool voor de tombe van Christus. Wanneer zij de eierschaal openbraken was het als zijn verrijzenis.

Binnen de katholieke traditie ontstond als voorbereiding op het Paasfeest een Vastentijd, een periode waarin geen eieren of vlees werden gegeten. Deze 40 dagen durende periode startte kort na carnaval op Aswoensdag en eindigde op Stille Zaterdag voor Pasen. Dan werden manden vol eieren naar de kerk gebracht om ze te laten zegenen. Deze eieren werden dan pas met Pasen opgegeten, waarbij de oudste eieren gebruikt werden om te versieren.
Volgens overgeleverde volksverhalen vertrokken op Witte Donderdag na het Gloria van de Heilige Mis vele klokken naar Rome om er eieren op te gaan halen. De klokken hadden de vorm van kerkklokken met vleugeltjes en vlogen door de lucht. De klokken kwamen terug in de Paasnacht. Of het dan om gekookte eieren ging, of chocolade- en suikereieren is niet altijd even duidelijk. Veelal werden de eieren gedropt in de tuin of op het balkon tussen de planten. Een enthousiaste speurtocht op Paasmorgen hoorde dan uiteraard bij deze traditie.
Dit konden protestanten natuurlijk niet over hun kant laten gaan. Met in gedachten de  sneeuwhaas uit de Germaanse legende, kwamen zij met de paashaas op de proppen.

Vervolgens kennen we natuurlijk ook de Joodse traditie. Op Seideravond start het zeven of acht dagen durende Pesach-feest. Daarbij wordt de uittocht uit Egypte herdacht. Op deze avond wordt uit de Haggada gelezen, een boek met het uittochtverhaal en ook de orde van de viering. Er is een feestelijke maaltijd, met vier glazen wijn of druivensap. Er wordt een hardgekookt en daarna gebakken ei neergelegd op de seiderschotel, samen met onder meer drie matses en een gebraden botje van een lam. Het lamsbot verwijst naar het lamsoffer dat de joden de avond van de uittocht brachten. Het gebakken ei staat symbool voor het feestoffer dat met Pesach werd gebracht.

In welke traditie je ook bent opgegroeid, het is natuurlijk altijd goed om je regelmatig te bezinnen over je afkomst en waar je met je leven naartoe wilt. Eveneens is het niet verkeerd om je periodiek feestelijk te ontspannen. Dit alles uiteraard binnen algemeen geldende gedragsregels, onder meer betrekking hebbende op de situatie rondom Covid-19.
Voor ik je meeneem naar een andere sage, eerst nog wat cijfers waarover in het begin van deze tekst werd gesproken.
Mensen wachten niet tot Pasen op de kans om weer van een eitje te genieten. Hooguit neemt het gebruik ervan in mindere of meerdere mate toe. Al vele honderden jaren maken eieren een belangrijk deel uit van ons voedsel. Ook in Nederland waar jaarlijks ruim 10 miljard eieren worden geproduceerd. We mogen ons land dan ook gerust een ‘ei-land’ noemen. Gemiddeld eten we zo’n 200 eieren per persoon per jaar. Driekwart daarvan zijn hele eieren. De rest is verwerkt, onder meer in koekjes, mayonaise, eiersalade, pasta’s en advocaat.
Iedereen weet wel hoe een ei eruitziet en smaakt. Maar wat weten we er nu eigenlijk verder over?
Nou, bijvoorbeeld dat een kip ruim 300 eieren per jaar legt, van gemiddeld zo’n 60 gram. Of dat een kleine hoeveelheid eieren sporen van de salmonella-bacterie bevatten. Om niet ziek te worden moet je ze daarom niet rauw gebruiken en het eindproduct niet ongekoeld bewaren.
Daarnaast staat op ieder ei een code afgedrukt. Het eerste cijfer geeft aan of het een 0 – biologisch, een 1 – vrije uitloop, een 2 – scharrel of een 3 – kolonie-ei is. De letters geven weer uit welk land het ei komt. Zo staat NL voor Nederland en DE voor Duitsland. De acht cijfers die volgen zijn de productiecode. Elke kippenboerderij heeft zijn eigen code. In principe is elk ei zo te traceren.
Er valt nog veel meer over te vertellen, maar ik vrees dat je dan liever een eitje gaat bakken in plaats van verder te lezen, terwijl ik je nog een Twents verhaal wil voorschotelen.

Het gebeurde heel, heel lang geleden, dat in een eikenboom op de brink een ravennest zat. Een boer had een weddenschap aangegaan met zijn knecht over wanneer de jonge raven uit het ei zouden komen.
“Op Goede Vrijdag, “zei de knecht, en hij wedde om een jaar loon.
De boer zette er zijn beste paard tegen dat het niet zou gebeuren. De stiekemerd had de eieren uit het nest gehaald en gekookt, om ze er dan weer in te leggen.
Maar… toch kwamen ze uit op Goede Vrijdag!
Hoe dat kon? Er lag een kruisje in het nest, een wonderkruisje. Over de herkomst daarvan bestonden vele verhalen. Maar in ieder geval gebeurde het onmogelijke. De knecht kreeg het paard en de boer werd voor zijn bedrog gestraft.

Hiermee wens ik iedereen hele fijne feestdagen.

Boekenwijsheid

Terwijl de cursor uitnodigend op mijn computerscherm staat te knipperen, dwalen mijn gedachten af. Een professioneel auteur zou eerst de tijd nemen om na te denken, voor er met schrijven  begonnen wordt. Zich afvragend: wat en voor wie ga ik schrijven, wat wil ik gaan zeggen en kan ik het onderwerp nog verbreden? Misschien vooraf nog wat aantekeningen maken, of een schemaatje opstellen. 
Voor anderen is de verleiding wellicht groot om er meteen op los te gaan. Maar kijken wat er uit de vingers komt, het hoofd leeg maken, bladzijden vullen en er dan zonodig in gaan schrappen.

Ik zit te mijmeren en laat mijn blik langzaam over de boekenplanken om mij heen dwalen. In de coronatijd zijn er diverse knutselwerkjes tussen de boeken verschenen. Hout, papier, schelpen en andere materialen hielden mij plezierig bezig. Daarvoor moest leesvoer wijken. Eigenlijk geeneens zo moeilijk. Diverse werkjes bieden weinig verrassing meer of beginnen toch wel erg gedateerd te geraken. Daarnaast ligt het vaak voor de hand om papieren informatie te vervangen door digitale.   

Zo is er bijvoorbeeld het Trouw schrijfboek, een bijna 800 bladzijden tellend boekwerkje. Het verkleinwoord slaat hierbij op het pocketformaat. Deze uitgave is bedoeld als: “Een vraagbaak voor iedereen die foutloze, heldere en liefst pakkende teksten wil schrijven.”
Het complete boek is ook op internet te raadplegen, maar dat heb ik nooit gedaan. Ik moet zelfs bekennen dat ik de papieren versie niet vaak heb opengeslagen.

 

Daarnaast kom ik tegen: Het Cultureel Woordenboek, Encyclopedie van de algemene ontwikkeling. In de inleiding voegen de redacteuren fijntjes aan de lange titel toe: “… voor wie wat ouder wordt is dit boek een goede geheugensteun en kan veel terughalen van wat vroeger geweten werd.” Op mijn leeftijd (laten we zeggen: als jonge senior) kun je je wel afvragen of je al die kennis nog nodig hebt. Het is heel boeiend om zo’n boek door te bladeren en nu en dan eens wat te lezen, als een kip die hier en daar een graantje meepikt. Maar veel ervan zal ik morgen weer vergeten zijn.
Wanneer nodig kun je natuurlijk later eens iets opzoeken. Maar zoals gezegd gebeurt dat niet zo vaak dat je een boekenkast met dergelijke naslagwerken nodig hebt.  Want wie in deze tijd iets zoekt, gaat vrijwel altijd meteen googelen, een woord dat ik trouwens niet zo snel in dit boek kan vinden.
Wel valt er veel te lezen over de ontwikkeling van ons schrift en taalgebruik. Schrijven begon pakweg 3000 jaar voor Christus met behulp van tekeningetjes. Bekend als de hiërogliefen van het oude Egypte. Ongeveer uit die periode stamt ook het spijkerschrift uit het land van Soemer in het huidige Irak, het zuidelijk deel van het vroegere Mesopotamië. Het spijkerschrift werd geschreven op kleitabletten, waarop men met een rietstengel wig- en spijkervormige inkepingen maakte.
Hierna volgde een schriftsysteem dat werd uitgevonden door de Phoeniciërs, bewoners van Libanon en Palestina. Befaamd om hun handelsgeest en kennis van zeevaart. Zij gaven niet alleen een tekeningetje weer voor woorden of lettergrepen, maar maakten lettertekens voor afzonderlijke klanken. Feitelijk waren dit echter alleen medeklinkers.
De Grieken bedachten rond 900 v Chr. dat het nog makkelijker was om daaraan klinkers toe te voegen. Zo ontstond een Alfabet, een woord dat is afgeleid van de Griekse letters alfa en bèta. En om nu maar een lang verhaal kort te maken: Uit het Griekse alfabet ontwikkelden zich diverse talen, waarmee mensen kunnen communiceren en informatie vastleggen. 

Dat was even een stukje geschiedenis over de ontwikkeling van taal. Behalve de manier van schrijven, kan er natuurlijk ook van alles gezegd worden over de betekenis van woorden. Ik lees in bovenvermeld boek dat Geschiedenis meer is dan alleen een verzameling gebeurtenissen. Vaak gaat er veel aan een gebeurtenis vooraf en sommige gebeurtenissen hebben ingrijpende gevolgen of brengen grote, soms blijvende verandering teweeg.
Wat schrijven betreft heb ik de voortschrijding van pen naar computer, tablet en smartphone mee beleefd. Met betrekking tot de huidige invloedrijke gebeurtenis van COVID-19 is het eveneens niet ondenkbaar dat het nog een lange geschiedenis wordt. Maar dat is een heel ander verhaal.   

Eh… eens kijken, wat wilde ik eigenlijk ook al weer schrijven? O ja, een stukje voor mijn schrijfsite. Bij deze dus!

Twaalf

Wat doe je zoal in twaalf minuten?
Nou, bijvoorbeeld onderstaand verhaal lezen over twaalf maanden.

Twaalf minuten

Wat doe je zoal in twaalf minuten? Niet veel, zul je misschien zeggen. Maar in twaalf minuten rijdt je bijvoorbeeld met de intercity van Dieren naar Arnhem. En in de trein hoor je soms een compleet levensverhaal van een medereiziger. En wat kun je dan allemaal wel niet doen in twaalf maanden, een heel jaar? Hoewel tijd iets ongrijpbaars is, gaat het er om hoe je die minuten, dagen en maanden benut. Of eigenlijk ook hoe je er mee omgaat.
Ik zocht twaalf minuten op de boekenplank in mijn werkkamer  en vond in het boek ‘Van goden en mensen’, van uitgeverij Elmar uit 2004, het volgende Nieuwgriekse sprookje:          

Een arme weduwe had vijf kinderen, die ze nauwelijks in het leven kon houden. Slechts één keer per week mocht ze bij een rijke vrouw in de buurt het brooddeeg kneden. Voor haar moeite kreeg ze dan niet eens een stuk brood voor haar kinderen, maar mocht ze weggaan met de deegresten aan haar handen. Thuis waste ze die in schoon water en dit water kookte ze tot er een soort pap ontstond die ze haar kinderen te eten gaf. Op de een of andere manier zagen haar kinderen er daardoor gezonder uit dan die van de rijke vrouw. In het rijke huis ontstond jaloezie. Vanaf dat moment liet de vrouw haar hulp zorgvuldig de handen wassen voor ze naar huis ging.
De arme vrouw ging daarop van deur tot deur om aan mensen een stukje droog brood te vragen. Dat liet ze in water weken, verdeelde het onder haar kinderen en stuurde ze naar bed. Ze had intussen zelf alle moed verloren en besloot kort na middernacht het huis te verlaten om niet te hoeven aanzien hoe haar kinderen van honger zouden omkomen.
Gekweld door eenzaamheid dwaalde ze door het donker, tot ze op een heuvel een licht zag branden. Ze ging erheen en constateerde dat het licht uit een tent kwam. Nieuwsgierig gluurde ze naar binnen. In het midden van de tent hing een grote kroonluchter met twaalf lampen. Daaronder zaten twaalf jonge mannen.
“Gegroet, moedertje,” zei een van hen, “kom binnen en ga zitten.”
Al snel was er warme thee en wat te eten. Toen begonnen de mannen haar van alles over de plaats waar zij vandaan kwam te vragen. Zij probeerde zo goed mogelijk te antwoorden.
Een jonge man met open hemd vroeg opeens: “En wat denkt u van maart, april en mei?”
“Dat zijn prachtige maanden, waarin alles kleur krijgt en begint te groeien,” reageerde de weduwe.
“En de maanden juni tot en met augustus dan?” bracht een man met opgestroopte mouwen naar voren.
“Ook een goede periode, want dan kunnen we oogsten wat er gezaaid is.”
Twee mannen met een enorme druiventros vroegen: “En bent u ook positief over september, oktober en november.”
De vrouw glimlachte. “Natuurlijk, we worden vrolijk door de wijn en worden er aan herinnerd dat we ons klaar moeten maken voor de winter.”
Het was niet zo vreemd, dat er ook mannen met bontmantels waren, die de vraag stelden: “Wel, hoe staat het met de maanden december, januari en februari?”
“Die horen er net zo bij als alle anderen. We rusten uit van het werk, zorgen dat het binnen gezellig is en maken plannen voor de rest van het jaar.”
De mannen knikten goedkeurend. Een van hen gaf haar een afgesloten kruik. “Neem deze mee, moedertje en geef je kinderen te eten.”
“Heel hartelijk bedankt, jongens, ik wens jullie nog vele goede jaren.”
Tegen ochtend bereikte ze haar huis en bemerkte daar dat de kruik tot de rand gevuld was met goudstukken. Vanaf dat moment was er voldoende eten voor haar kinderen en ze kregen ook nieuwe kleren.

Dat bleef niet onopgemerkt bij de rijke vrouw en die kwam eens informeren. Ze kreeg alles te horen en besloot zelf ook op zoek te gaan naar die geheimzinnige tent. Daar trof ze eveneens de jongemannen aan, die haar wat te eten aanboden, dat ze afsloeg. “Wat denkt u over de maanden van het jaar?” vroegen zij vervolgens.
“Ach, elke maand heeft zijn eigen ergernis. Wanneer we in augustus aan de hitte gewend zijn, brengen september tot november ons niets dan kou. In december, januari en februari bevriezen we haast en kunnen we door de sneeuw niet naar buiten. Van maart tot en met april weet je nooit waar je aan toe bent. Daarna moet er in mei, juni en juli hard gewerkt worden en heb je eens even tijd om buiten te zitten, dan regent het.”
Even leken de mannen niet te reageren, maar toen ontving zij toch een afgesloten kruik, met de woorden: “Neem deze mee naar huis, sluit je in je eentje op in een kamer en maak deze kruik dan open.” Zo gezegd, zo gedaan. Ze spreidde een laken uit, opende de kruik en keerde hem om. En wat kwam eruit? Niets dan slangen, die zich gretig op haar stortten.    



Comments are closed.