Schrijfsite

Shrunk Expand

Verhalen

Soldaat van Oranje

Deze musical is een bestseller geworden. Ook het gelijknamige boek en de eerder verschenen film zijn bij velen bekend.

 ‘Soldaat van Oranje’ is gebaseerd op het waargebeurde verhaal van de Nederlandse verzetsstrijder Erik Hazelhoff Roelfzema tijdens de Tweede Wereldoorlog.  

Maar ook vele andere soldaten zijn in de loop van de eeuwen in dienst geweest van Oranje. En daar zijn eveneens diverse verhalen van overgeleverd. Deze keer echter aandacht voor wat minder bekende militairen: 

In 1811 werd in Nederland onder de Franse overheersing de militaire dienstplicht (conscriptie)  ingevoerd. Vóór die tijd bestond het leger uit vreemdelingen, landlopers en avonturiers.

Nadat in 1813 de onafhankelijkheid uitgeroepen was, werd het Reglement van Algemene Volkswapening, Landstorm en Landmilitie vastgesteld. De Nederlandse strijdmacht werd samengesteld uit een Landstorm (verdediging van de eigen omgeving) en een Landmilitie (verdediging van het vaderland). Voor buitenlandse acties kon de “armee” ingezet worden. Hierin konden ook buitenlanders dienst nemen. Op lokaal niveau opereerde tot 1901 de schutterij, na die datum werd deze vervangen door de landweer.

De Grondwet van 1814 bracht een reorganisatie binnen de strijdkrachten. Op elke 100 inwoners zou voortaan één militielid worden aangewezen. Het lukte vaak niet genoeg vrijwilligers te vinden voor de militie, daarom werd het aantal rekruten aangevuld met lotelingen.

Op 27 februari 1815 werd de eerste Militiewet van kracht. De landmilitie heette nu Nationale Militie. Alle ongehuwde mannen tussen de 18 en 22 jaar moesten zich inschrijven. Ook de Nationale Militie moest door loting op volle sterkte gebracht worden. De dienstplicht bedroeg in de jaren tachtig van de 19e eeuw vijf jaar.

Tot 1898 kon iemand die ingeloot was een vervanger (remplaçant) inhuren. Na 1898 werd de persoonlijke dienstplicht van toepassing.

Ook Piet Dekker (1894-1978), een oom van mijn moeder, deed dienst bij de Militie, getuige onder meer een foto uit het familiearchief waarop hij in uniform te zien is en voorzien van een indrukwekkende sabel. Volgens stukken uit het Noord-Hollands Archief deed hij niet lang dienst en kreeg meerdere keren een jaar vrijstelling. Vanaf 3 mei 1924 werd hij zelfs voorgoed vrijgesteld vanwege persoonlijke onmisbaarheid. Of dit te maken had met zijn beroep als groentehandelaar, met zijn gezinssituatie of met zijn gezondheid, weten we niet.

Een ver familielid van mijn eega werd eveneens vrijgesteld om dienst te doen. Daarvan is sprake in een bij de huwelijksakte bijgesloten certificaat. Pieter Slegtenhorst (1799-1867) was bij de gemeente Rotterdam voor de Nationale Militie ingeschreven. Door loting was hem het nummer 95 ten deel gevallen. Vervolgens werd hij door de Militie-Raad finaal vrijgesteld uit hoofde dat hij ‘Eenige Zoon’ was.

Vele jaren later vervulde de auteur van deze tekst wel zijn dienstplicht bij de Koninklijke Landmacht. Want van 1950 tot 1996 ontvingen jongens op hun 18e een oproep om gekeurd te worden. Bij mij vond die keuring plaats in augustus 1968. Waarschijnlijk omdat ik vermelde in het verleden last van bronchitis gehad te hebben, moest ik voor een aanvullende keuring naar Den Haag. Daar werd ik geschikt bevonden om in dienst te gaan. Dus was het afwachten wanneer er een oproep zou komen. Die aandacht voor militaire dienst werd enigszins gekleurd door de Russische inval in Tsjecho-Slowakije.

In juni 1969 ontving ik het officiële bericht dat ik op 14 juli in de Generaal Majoor De Ruyter van Steveninck kazerne op de legerplaats Oirschot verwacht werd. Ik was ingedeeld bij het 16e Pantser Infanterie bataljon, het Regiment Limburgse Jagers. De kapitein van het 3e peloton heette ons welkom. Hij vertelde dat wij eerst een basisopleiding van twee maanden kregen, gevolgd door een voortgezette opleiding van eveneens twee maanden en de verdere parate diensttijd van twaalf maanden.

Daarna werden we aan een mondeling en schriftelijk kruisverhoor onderworpen, dat beloond werd met het uitreiken van een militair paspoort. Misschien was het om ons op ons gemak te stellen dat we meteen daarna mochten kennismaken met een geestelijk verzorger. Vervolgens konden we alvast een beetje wennen aan het vele en lange wachten dat ons gedurende de hele diensttijd zou vergezellen. Toen we deze proef doorstaan hadden werden we in drietonners  geladen (zeg maar: een vrachtwagen voor ‘dienstpersoneel’) en naar een kazerne in Veldhoven vervoerd voor de eerste injectie (van de meerdere prikken in die week) en een borstfoto. Daarbij vielen de eerste jonge helden al flauw.

Terug in Oirschot ging het naar de foerier, om onze PSU (Persoonlijke Standaard Uitrusting) in ontvangst te nemen. Passen, meten en uitzoeken van een in onze ogen gigantische hoeveelheid kleding en toebehoren. Dat alles moest in een plunjezak, waaronder wij in een poging deze te verplaatsen haast bedolven raakte. Toch was het de bedoeling dat wij dit gevaarte heelhuids naar ons onderkomen droegen. Dat was een barak, met stapelbedden en metalen kasten, voor de huisvesting van zo’n dertig tot veertig man – jongens eigenlijk, man werden we in dienst pas.

Getooid in een groene overall, veldpet op en kistjes (hoge, zware schoenen) volgde een appèl voor ons bed. De bedoeling was dat we er een half uurtje later zouden in liggen. We lagen echter eerst allemaal dubbel toen we ons in het militaire ondergoed hesen. Vanwege de overheersende kleur groen, maar ook omdat het de meest uiteenlopende vormen had en vooral aanwezig was in de grootste maten. Later, toen de maatvoering beter op de gebruiker was afgestemd, maakten we dankbaar gebruik van met name de warme lange onderbroek.

Voor we er erg in hadden, was er de volgende ochtend om zes uur reveille. Een half uur voor wassen en aankleden bleek voor velen niet voldoende om geheel gereed voor het bed te kunnen staan. Nadat onze begeleiders heel duidelijk hadden gemaakt dat dit niet de bedoeling was, werden we in rijen van vier naar de eetzaal gemarcheerd (voor zover wij dat als rekruten al konden).

Kort daarna vond onze eerste bivak plaats. Dat betekende onder meer het oefenen hoe je een tentje op moest zetten. Iedereen bezat bij zijn PSU een halve tent, die je moest vastknopen aan het exemplaar van een collega. Je kon er net inzitten c.q. liggen en uiteraard moest ook je PSU er nog bij. We werden ’s-avonds flink afgepeigerd door allerlei oefeningen. Voor we om kwart over één de tent in konden kruipen was er nog instant ossenstaartsoep met een eitje, wat prettig aanvoelde in onze vermoeide lichamen, maar de frisse lucht in ons onderkomen niet bevorderde. Om half zeven mochten we eruit voor een veldloop, daarna opfrissen met een beetje koud water in de buitenpot van onze helm. Na nog een uitgebreid oefenprogramma die dag, moest het groepsgevoel versterkt worden door in groepjes van drie zelf naar de kazerne te lopen. Dat bleek verder dan we gehoopt hadden.

Zo volgden vele belevenissen, maar per saldo minder lang dan verwacht. Want door het aantrekken van de economie in Nederland ontstond er een te kort aan mensen in de bouwwereld. Om dit op te vangen werd er een mogelijkheid aan dienstplichtigen geboden voor twee maanden diensttijdverkorting. Ik maakte hier gebruik van en kon direct na een oefening in La Courtine mijn PSU gaan schoonmaken en inleveren.

Fantasiereis

figuurzaagwerk Joop

Het was stil in de trein van Rotterdam naar Utrecht. Ferdinand (Ferry voor insiders) zat in zijn vertrouwde hoekje van de 1e klas-coupé, rechts naast de deur. Links aan de overkant zat een man met een grijze blinddoek voor zijn ogen gebonden en oordoppen in van dezelfde kleur. Zijn hoofd rustte op z’n tas, die half op de stoel en half tegen het raam lag. Buiten vielen vochtige sneeuwvlokken, die het landschap hier en daar net een beetje wit kleurden. Op station Utrecht zocht een slechtziende jonge vrouw voorzichtig met haar stok naar de geribbelde tegels. Vervolgens vroeg ze aan een meisje of ze goed stond voor de trein naar Nijmegen. Ferdinand nam in dezelfde trein plaats en ging zitten schuin tegenover vier mannen die luidruchtig over hun werk zaten te converseren. Een vrouwelijke medereiziger wees er op dat ze in de stiltecoupé zaten. Daarop vertrokken ze naar de 2e klas en werd het weer lekker rustig.  

   De meeste passagiers vermaakten zich digitaal met hun smartphone of tablet, of gewoon ouderwets papier lezend. Een man op leeftijd, zo te zien van Turkse of Marokkaanse afkomst, bestudeerde zijn krant met een loep. Ferdinand sloeg een magazine van Quest open. Bij het zien van een aantal recepten dacht hij er over na wat er deze avond bij hem op tafel zou staan.

   Op een moment dat meerdere ogen begonnen dicht te vallen, sloeg het weer om.  Het begon hard te waaien en hagelstenen kletterden tegen de ramen. Of het daardoor kwam was niet duidelijk, maar niet veel later stopte de trein plotseling. Na geruime tijd liet de conducteur weten dat ze gestrand waren  door een technisch mankement. De trein kon niet verder. Nog weer later volgde het bericht dat er een sleeptrein zou komen. Dat mislukte echter vanwege een ingewikkeld technisch probleem in de defecte trein. Vervolgens moesten er twee andere treinen komen om de reizigers alsnog te kunnen evacueren. Dat duurde heel lang en vanaf dat moment kregen ze geen informatie meer. Later werd duidelijk dat de trein op een lastige plek stil kwam te staan, waar het moeilijk was om de reizigers over te laten stappen.  

   In het begin was de sfeer in de trein gemoedelijk, maar toen telefoonbatterijen leeg begonnen te raken en de wc steeds voller, sloeg de stemming om. Langzamerhand werd het kouder en donkerder. Velen kregen honger. In de coupé van Ferdinand zaten de mensen verspreid. “Misschien kunnen we wat meer bij elkaar gaan zitten,” stelde hij voor, “om elkaar moed in te spreken, ofzo.”

“Denkt u dan dat het nog lang gaat duren?” vroeg een meisje met lang, kastanjerood haar. Ze kwam meteen naast hem zitten, vergezeld van de Turkse man (zijn afkomst werd even later bevestigd) en nog een vrouw met ruimhartige rondingen die bij Ferdinand voor iets meer warmte zorgden.

“Ik heb geen idee of het lang duurt,” zei hij snel tegen het meisje. “Maar we kunnen proberen het wachten wat te verzachten door een beetje met elkaar te praten.”

De anderen knikten en bleven hem afwachtend aankijken.  

“Wat heb je een mooi boek bij je,” begon Ferdinand tegen het roodharige meisje. Hij vond haar wel passen bij de afbeelding op de boekenomslag.

Ook haar gezicht kleurde een beetje rood toen ze reageerde: “Ik heb dit boek over elfen gekocht omdat er mooie plaatjes instaan en omdat elfen iets magisch hebben. Vooral de mooie bloemenelfjes prikkelen de fantasie. Ze nemen je mee naar een spannende wereld waarin je al je dagelijkse zorgen vergeet.”

“Zoals nu?” merkte de stevige vrouw op.

De oudere man keek haar ja knikkend aan. “Zeker mevrouw. Die lieftallig ogende wezentjes zijn omgeven door allerlei mystieke verhalen, door spirituele theorieën en betoverende dimensies. Zij willen ons bewuster maken van het geheime leven van de natuur. Ons verbinden met de dynamische krachten van de elementen vuur, water, aarde en lucht.”

“Zoiets als: Concentreer je op de vlam van een kaars, sluit de ogen en denk aan de interne obstakels die je ontwikkeling in de weg staan. Of wel: Stel je voor dat elke hindernis in vlammen op gaat.“ De stem van het meisje klonk onpeilbaar, niet verradend of zij het serieus meende of niet.

Het bleef even stil, voordat Ferdinand een herinnering inbracht uit zijn jeugd: “Dat doet mij denken aan toen wij vroeger eens een schoolfeest hadden. Vader en moeder zaten ze die avond thuis televisie te kijken. Ma meende iets op de zolder te horen. Er was pas ergens in de buurt ingebroken daarom vroeg ze of haar man eens even wilde gaan kijken. Op de overloop en mijn slaapkamer zag pa niets bijzonders. Toen hij echter de deur opende van mijn broers kamer, zag hij het houten bureau in brand staan. Voor hij iets kon ondernemen ging het licht uit. Snel verspreidende rook benam hem de adem. Met moeite vond hij de uitgang, net voor de vlammen omhoog sloegen. De brandweer was snel ter plekke, maar kon niet verhinderen dat bijna alles afbrandde. Het was moeilijk, de volgende ochtend de rokende puinhopen te aanschouwen. Er waren ook andere verrassingen: De schotelantenne van de tv bleek gestolen; er werden twee zwartgeblakerde, maar nog levende parkie­ten aangetroffen; en er kwamen een paar doorweekte fotoalbums tevoorschijn.”

“Wij moesten ons huis uit vanwege hoge waterstanden,” nam het meisje de regie over. “We woonden aan een dijk langs het uiterwaardengebied van de rivier. Door de vele regenbuien begon het water in de rivier te stijgen, de uiterwaarden liepen onder en kwelwater sijpelde door de dijk. Voor alle huizen langs de dijk dreigde gevaar, want een doorbraak was niet denkbeeldig. Daarom besloot de burgemeester de inwoners te evacueren. Ons gezin vond onderdak bij familie in Brabant. De gevreesde dijkdoorbraak bleef uit. Na een week konden alle bewoners naar hun huizen terugkeren. Alles zat onder de modder en het duurde heel lang voor alles weer een beetje op z’n plaats stond.”

De oude man legde zijn hand op haar arm. “Ook ik heb huis en haard moeten verlaten. Op mijn geboortegrond in Turkije was het niet meer veilig. Later las ik in Nederland een verhaal over een wijze imam. Die vertelde dat Allah de mensen zou straffen, door een steen omlaag te gooien. Toen dat niet gebeurde, zei de imam na een poosje: “Dank zij Allah, dat hij ons van een groot gevaar gered heeft.”

De vrouw naast hem schoof naar het puntje van de bank. “Ik ben niet zover hoeven te vluchten, maar ik moest onze boerderij vanwege de stikstofuitstoot verlaten. We wonen nu in een appartement, dat is best wennen. Natuurlijk is het milieu belangrijk, maar ze kunnen ook overdrijven met de regelgeving. In de krant stond bijvoorbeeld dat de minister van Justitie in Malawi om de luchtkwaliteit te bevorderen een wet wilde invoeren die het laten van winden verbiedt.”

Het duurde nog vele uren, vóórdat het groepje van vier en de meeste andere passagiers hun bestemming bereikten. Enkelen moesten zelfs elders de nacht doorbrengen.     

Vakantieliefde

Aquarel Ans Sanner

Pling!

“Is dat die van jouw, of van mij?”

“Waarschijnlijk mijn smartphone,” antwoordt Simon. “Inderdaad, Facebook herinnert er aan dat er nog een vriendschapsverzoek openstaat. Eens kijken: ene Otto Broekhuis. Wie mag dat wezen?”

Zijn eega kijkt op. “Eh… zou het die jeugdvriend kunnen zijn, van ongeveer honderd jaar geleden, zo lijkt het?”

Nou ja, het was toch wel een halve eeuw terug, dat hij op een maandagochtend in juli zijn vrienden vergezelde bij een trektocht met de auto van Mario en een tent van Otto. Via Roermond reden ze de grens over naar Duitsland, waar ze in Scheidt nabij Saarbrücken hun eerste bivakplaats inrichtten. Een eind verder besloten ze twee nachten in Freiburg te verblijven en vandaar ging het naar Konstanz. Op een camping vlak bij het Bodenmeer bleken meer Nederlandse jongeren vakantie te vieren. Ze kregen onder meer contact met een groep uit Deventer, van wie ze hoorden dat er op de camping ook allerlei activiteiten georganiseerd werden. Een nachtwandeling bijvoorbeeld. Inmiddels hadden de drie jongens al ontdekt dat er een paar heel leuke meiden bij waren. Daar moesten ze in de buurt van zien te blijven. Dat viel niet mee, want het was best donker en je moest opletten nergens tegenaan te lopen. Eigenlijk had hij een oogje op Liza, maar die werd al snel ingepikt door Mario.  Al lopende kwam hij echter bij Esther, haar vriendin, terecht. Ook best aardig. Toen het terrein wat moeilijker begaanbaar werd, door kuilen en op de grond liggende takken, hielp hij Esther zo nu en dan om verder te komen. Eigenlijk bleek het veel handiger om gewoon haar hand vast te houden. Na een poosje viel de hele groep uit elkaar en bleek hij opeens alleen met Esther te zijn. Misschien vond zij het wel een beetje eng in het donker en een stuk aangenamer als hij zijn arm om haar heensloeg.

Liza herinnert zich dat ze met een stel studiegenoten een vakantie doorbracht op een camping bij het Bodenmeer. Ze maakten daar kennis met drie jongens uit Eindhoven. Vanaf het eerste ogenblik was ze helemaal weg van Mario. Wat een stuk zeg! Er was een nachtwandeling waarbij meteen stevig gezoend werd. En o, wat waren die boottocht en het vuurwerk op het Bodenmeer prachtig. Maar toen volgde een avondje stappen in het centrum van Konstanz. Dat werd minder succesvol, balen eigenlijk, want Mario verdween zonder iets te zeggen. Een dag later kon hij hen nog net mee uitzwaaien, toen de groep naar Deventer terug moest. Mario excuseerde zich voor het feit dat hij de vorige dag door een ontmoeting met een oude bekende alles was vergeten. Hij zou haar schrijven.

Simon weet nog dat het bier in de meeste kroegen twee keer zo duur was als in Nederland. En het was best leuk om een dansje met Esther te maken, hoewel hij niet veel tijd met haar alleen kon doorbrengen. Want het bleek dat haar vriendin Liza heel teleurgesteld was dat Mario haar in de steek had gelaten. Mario verscheen die nacht overigens ook niet in hun tentje. Pas de volgende ochtend hoorden zijn vrienden, dat hij een Duits meisje ontmoet had en bij haar had geslapen. Later op de dag ging hij nog even afscheid van haar nemen, terwijl de anderen wat op de camping bleven rondhangen. Otto stelde voor om de volgende dag ook naar huis te gaan, want de sfeer was er niet beter op geworden. Uiteindelijk deden ze toch nog een paar dagen over een rustige terugreis.

Liza wachtte lang tevergeefs op een brief. Uiteindelijk schreef zij zelf maar naar Mario. Nodigde hem uit om naar Deventer te komen, konden ze misschien samen nog eens gaan stappen.

Simon reageerde in een opwelling: “Zal ik die brief beantwoorden?” Mario keek hem verbaasd aan en Otto merkte op: “Ik dacht dat jij wat had met Esther.” Ze zaten aan de bar in het centrum van Eindhoven. “Dat was inderdaad leuk, maar het is verder niets tussen ons geworden.”          

Mario nam een slok bier en liet hen toen een grappig kaartje zien, wat gericht was aan ‘Liebes Mario’ en afkomstig van ‘Gertrud’ met veel getekende hartjes.

Liza was dolblij toen ze een reactie van Mario ontving. Hij schreef dat hij graag een keer met haar uitging, maar niet op korte termijn. Want hij was heel druk met een opleidingsproject bij Philips en wanneer hij dat met succes kon afronden, lag er een mooie baan in het verschiet. Misschien konden ze wat brieven uitwisselen om elkaar alvast wat beter te leren kennen.

Simon vroeg zich af of hij gewoon naar Deventer zou afreizen, of van te voren alles zou opbiechten. Hij besloot tot het laatste.

Liza verlangde er steeds meer naar om een afspraak te maken, tot de brief kwam waarin stond dat niet Mario, maar Simon haar al die tijd had geschreven.

Simon schreef: ‘Verder is er niets gelogen. Ik wil je graag ontmoeten en proberen of het iets kan worden tussen ons. Maar als je daar niets voor voelt, hen ik er ook begrip voor. Laat alsjeblieft iets van je horen.”

Liza aarzelde lang. Eigenlijk was ze verliefd op Mario, maar die brieven van Simon waren toch wel erg leuk. Uiteindelijk kwam er toch een afspraak tot stand en dat was het begin van een langdurige relatie. Pas veel later vertelde Simon dat Mario die avond in Konstanz bij een Duits meisje was en die van hem zwanger was geraakt. Ze waren getrouwd en in Duitsland gaan wonen.

Terug in het heden is Simon nog even met zijn smartphone in de weer. “Otto schrijft dat hij tegenwoordig met Jeffrey in Londen woont en dat hij gehoord heeft dat onlangs in een ziekenhuis te München Mario is overleden.”

Na een korte stilte geeft Simon haar een knuffel en merkt op: “Het was wel tweede keus, maar je hebt me toch al jarenlang gelukkig gemaakt.”

“Mwah…,” glimlacht Liza, “het is mij ook niet echt tegengevallen” en ze zoent hem in zijn nek.

       



  



Comments are closed.