Schrijfsite

Shrunk Expand

Verhalen

Woorden met een verhaal

Om nieuwe aanwinsten een plaatsje te gunnen op mijn boekenplank, ben ik genoodzaakt oudere exemplaren te verwijderen. Het blijft boeiend om wat je op deze manier in handen krijgt nog eens door te bladeren. Een extra uitdaging is: proberen er een nieuwe tekst van te genereren.

Kleurwerk Joop

Ik heb nu bijvoorbeeld aan het stof onttrokken: ‘Woorden met een verhaal’, van Ewoud Sanders, uit 2004. Dit boek is dus bepaald niet spiksplinternieuw, maar toch nog wel tamelijk actueel, omdat het over de herkomst van verschillende woorden gaat. Voor mij is het eigenlijk wel nieuw, want ik heb het nog niet eerder gelezen. Zo gaat dat soms. Je ziet iets in de boekwinkel wat interessant lijkt, of waar je wellicht je voordeel mee kunt doen. Meenemen dus. Maar dan belandt het ongemerkt toch uit het zicht. 

Ik heb echter besloten dit boek nu meteen te lezen en niet te wachten tot Sint-Juttemis. En dat is maar goed ook, want dan zou het er waarschijnlijk nooit van komen. Er bestaat namelijk helemaal geen heilige met de naam Juttemis en dus ook geen feestdag. Tot Sint-Juttemis wachten, betekent dan ook eindeloos wachten op iets wat nooit komen gaat.
Volgens het Genootschap Onze Taal komt de zegswijze ‘sint-juttemis’ voor het eerst in het Nederlands voor in de Kronieken van Roermond uit 1577: “Het sol hun comen op St. Judtmisse” (‘ze krijgen het met sint-juttemis’).
Waar de naam precies vandaan komt is niet helemaal duidelijk. Het zou afgeleid kunnen zijn van het woord jut, een oude benaming voor vrouwen in het algemeen. Zo werd wel eens gesproken van een ‘domme jut’. Het is ook mogelijk dat Jutte is afgeleid van de Judith uit de Bijbel; die heeft echter wel een naamdag (24 maart of 7 september).
Ook is wel eens verwezen naar de twaalfde-eeuwse Gudda van Arnstein. Omdat deze Duitse heilige ook wel Jutta werd genoemd, zou zij dan de juiste kandidaat zijn. Omdat haar naamdag 17 augustus is, is die dag volgens deze lezing de échte dag van ‘Sint-Juttemis’.

Goed, dus ik lees het boek alsnog en met veel plezier. Ik ontdek dat sommige woorden een rijke historie hebben en menigmaal vergezeld gaan van een sappig verhaal. Sommige woorden zijn zelfs stokoud, zoals hiervoor al is duidelijk gemaakt. En wie leest er nu niet graag een story over bijvoorbeeld een hittepetitje? Dat laatste woord gebruikte mijn moeder altijd voor een opgroeiend tienermeisje. Volgens Van Dale betreft het een klein bedrijvig persoontje. Ook wordt er wel een klein paard mee aangeduid.

Een ander leuk woord dat ik tegenkom is: Tararaboemdijee, de titel met een eenvoudig refreintje van een kinderliedje uit de jaren vijftig dat wereldvermaard is geworden. Best een ondeugend liedje voor die tijd. Het spotte met een dominee en ging over zijn achterwerk. Ik vond op internet dit coupletje:

Ta ra die boemdiee
Die dikke dominee
Die had zijn gat verbrand
Al aan de kachelrand.

Maar deze versie is gebaseerd op een straatliedje gemaakt uit 1894. Dat ging zo:

Tarara boemdiee
De blikken dominee
Die schoot met kruit en lood
Zijn arme naaister dood
Nu zit hij in de kast
Al aan een ketting vast
De jongens roepen luid:
Die komt er nooit meer uit.

In de oorspronkelijke versie wordt dus gesproken over een ”blikken” dominee. Deze term werd gebruikt om predikanten aan te duiden die zich niet als een schoenmaker bij hun leest hielden. De volksmond verbasterde ”blikken” algauw tot ”dikke”. Begrijpelijk; er lopen nu eenmaal meer dikke dan blikken dominees rond.
Aanleiding voor dit liedje vormde  een opzienbarende geschiedenis die zich afspeelde in Harlingen, zo lees ik in het Reformatorisch Dagblad van december 2012. Daar was een dominee die niet zo’n florissant huwelijksleven had. Hij zag veel meer in een mooie catechisante, die ook huisnaaister in de pastorie was. Van het een kwam het ander.
Toen zijn echtgenote daar achter kwam, beloofde de predikant de verhouding te beëindigen. Dat gebeurde anders dan verwacht. Met vijf pistoolschoten beëindigde hij het leven van het meisje. Zelf belandde hij tot zijn dood in de cel.

Nu we het toch over misdragingen hebben: ik kom ook nog de woorden hooligans en vandalen tegen. Feitelijk heel actuele zaken betreffende. Daarbij denken we vooral aan voetbalwedstrijden, racistische of fascistische leuzen scanderen, dingen slopen of ander geweld plegen.
Wat ik niet wist is dat het woord hooligan is genoemd naar Patrick Hooligan, een Ierse misdadiger die in Londen omstreeks 1890 actief was met een troep volgelingen.
En de Vandalen betrof een Oost-Germaanse stam die in 429 na Christus onder leiding van koning Geiserik Afrika binnentrok. Bijna tien jaar later hadden ze in Noord-Afrika een koninkrijk gesticht met als hoofdstad Carthago. Daar kwamen als aanvullende veroveringen nog Sicilië, Corsica, Sardinië, Malta en de Balearen bij. In 455 plunderden ze de stad Rome. Hun koninkrijk stortte ineen in de Vandaalse oorlog (533-534), toen keizer Justinianus I de provincie Africa wist terug te veroveren op de Vandalen voor het Oost-Romeinse rijk.

Dit zijn zo maar een paar boeiende woorden, die een inspiratiebron vormden voor het maken van dit verhaal. Ik hoop dat de lezers er net zo van genoten hebben als ik.

Een leugentje om bestwil

Een verlegen jongeman zocht een correspondentievriendin, las ik in het blad Plus. Hij ontving op zijn contactadvertentie vijf brieven. Vervolgens plaatse hij een nieuwe advertentie, waarin hij schreef dat hij student was en in het bezit van een auto. Daar kreeg hij tachtig reacties op.
Een leugentje om bestwil.
Willen we dat niet allemaal? Feiten en gebeurtenissen wat mooier laten klinken dan ze in werkelijkheid zijn. Ook schrijvers zuigen van alles uit hun duim, zoals hieronder:

Figuurzaagwerk van Joop

In vroegere tijden waren het vaak ouders die een partner voor hun kroost regelden. Als het mooie prinsessen betrof, moesten huwelijkskandidaten in oude vertellingen nogal eens allerlei moeilijke opdrachten vervullen. Zo ook in het oude Duitse sprookje ‘De Hazenhoeder’ van Ludwig Bechstein. Daarin was er een rijke koning die zes zoons had en een buitengewoon mooie dochter. De eenentwintigste verjaardag van deze prinses vond haar vader een prachtig moment voor een huwelijk. Hij liet in het hele land bekend maken dat wie naar de hand van de prinses wilde dingen zich binnen veertien dagen kon aandienen.

Maar liefst 35 mannen en twee vrouwen verschenen in de paleistuin. De prinses nam hen mee naar het grootste gazon en organiseerde daar allerlei spelen met een 18-karaats gouden bal. Terwijl de trouwlustigen elkaar fanatiek bestreden, probeerde de prinses stiekem de bal toe te spelen aan de leukste jongens onder hen. Het werd een afvalrace, die uiteindelijk één winnaar opleverde, een arme, maar beslist niet domme jongen.
Maar de koning gaf zich niet zomaar gewonnen. “Laat die jongen maar eens bewijzen dat hij jouw waard is,” zei hij tegen zijn dochter. “Ik geef hem daartoe drie opdrachten.”

De koning bezat een stal met 66 hazen. De eerste opdracht hield in dat deze hazen naar een weiland gebracht moesten worden. Daar moest van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat op ze gepast worden. Uiteraard mocht er bij terugkeer geen haas ontbreken.

De jongen zei dat hij 24 uur bedenktijd wilde hebben vóórdat deze moeilijke opdracht aanvaard kon worden. Hij trok de bergen in, waar er plotseling een oude vrouw op zijn pad verscheen.“
Wat kijk je toch bedrukt, m’n jongen?” vroeg zij.
“Ach moedertje, ik sta voor een onmogelijke opgave.”
“Vertel me je problemen maar, misschien kan ik je helpen,” moedigde ze hem aan.
Hij deed zijn verhaal, waarna ze hem een fluitje overhandigde, met de woorden: “Bewaar dit goed en blaas er op wanneer je in de problemen dreigt te komen.”
Welgemoed begaf de jongen zich naar de koning. “Ik aanvaard de opdracht, excellentie.”

Maar vóórdat alle hazen uit de stal gelaten waren, bleek inmiddels de helft al uit het zicht verdwenen. De jonge hazenhoeder liep door groene velden en ging toen verdrietig op een hoge heuvel zitten. Daar dacht hij opeens aan het fluitje. Hij bies er op en er kwamen alle hazen tevoorschijn en bleven  in de nabijheid van de heuvel grazen.
Ondanks dat het best een knappe jongen was, voelde de mooie prinses er eigenlijk niets voor om al te gaan trouwen. Daarom bedacht ze een list om er voor te zorgen dat de hazenkudde niet compleet thuis zou kunnen komen. Ze vermomde zich en ging naar de heuvel. “Kan ik misschien een van die hazen kopen?” vroeg ze.
“Te koop zijn ze niet,” antwoordde de jongen, die haar toch herkend had, “maar ze zijn wel te verdienen.”
“Hoe bedoel je dat?”
Hij keek haar recht in de ogen. “Door hier een uurtje wat met mij te knuffelen.”
Daar voelde de prinses niets voor en ze bood hem in plaats daarvan geld aan. Daar ging hij niet op in en uiteindelijk moest zij toch toegeven. Toen hij haar naar hartenlust geliefkoosd had, ving hij een haas en stopte die in haar mandje. De prinses keerde meteen naar huis terug. Maar toen ze een poosje op weg was, blies de jongen op zijn fluitje. De haas sprong uit het mandje en rende met een vaart terug.

Niet veel later verscheen de koning bij de heuvel, eveneens vermomd. Want ook hij wilde een stokje steken in het welslagen van de verstrekte opdracht. Hij reed op een ezel, die aan beide zijden een mand droeg. Een met appels en een met peren. Hij deed zich voor als een koopman. “Verkoop je hazen?” vroeg hij.
De jongen had ook hem meteen door. “Nee, te koop zijn ze niet, maar wel te verdienen.”
“Hoe bedoel je dat?”
“Wanneer u een kus geeft op het achterste van uw ezel, mag u een haas hebben,” bood de hoeder aan.
De koning werd wit van woede. “Ik geef je vijftig euro, een zak appels en een met peren; voor die prijs is nog nooit een haas verkocht.”
Het vervolg laat zich niet moeilijk raden: De ezel ontving de kus en de koning een haas, die echter na het horen van een fluitje naar de kudde terugkeerde.

Toen de avond viel, ging de jongen met zijn hazen naar de stal van het koninklijk kasteel. In aanwezigheid van de broers van de prinses werden ze geteld en ja hoor, ook de laatste ging door de staldeur. De eerste opdracht was volbracht.

“Let op,” zei de koning, “nu komt de tweede opdracht. Op de dorsvloer liggen dertig maten erwten en dertig maten linzen, die ik helemaal door elkaar heb laten mengen. Je dient deze peulvruchten vannacht, zonder licht, te sorteren in afzonderlijke hopen.
De jongen werd op de dorsvloer gezet en alle ramen en deuren gingen stevig op slot. Toen alles in het kasteel rustig was, blies hij op zijn fluitje. Meteen kropen er talloze mieren, kevers en sprinkhanen tevoorschijn, die door elkaar krioelden tot de erwten weer apart lagen van de linzen.
De koning was de volgende ochtend heel verbaasd. Hoe kreeg die vent dat toch voor elkaar? Maar hij moest nu ook vertellen wat de derde opgave was.

Ditmaal werd de hazenhoeder (zoals hij nu door iedereen genoemd werd) opgesloten in een propvolle broodkamer. De bedoeling was dat hij tijdens de volgende nacht al het brood zou opeten,  welgeteld: 61 kadetjes, 22 grote mikken en 43 droge stokbroden.
Zodra het donker was, blies de jongen op zijn fluitje. Nu werden alle overgebleven hoekjes en gaatjes gevuld met vele muizen, ratten en eekhoorns. Alsof deze dieren uitgehongerd waren, gingen ze aan het eten tot er geen kruimeltje meer over was.

“Moet ik nu echt met die enge kerel trouwen?” vroeg de prinses aan haar vader. Er verschenen rimpeltjes in haar mooie gezichtje.
“Ik vrees dat er niets anders op zit, meid, tenzij… tenzij we nog een extra opdracht bedenken.” Hij dacht diep na, terwijl hij enkele haren uit zijn baard trok. Toen riep hij de huwelijkskandidaat bij zich en zei: “Je hebt de benodigde opdrachten indrukwekkend uitgevoerd. Ik denk echter dat het zo’n eerlijke jongen als jij vast niet zou lukken om een zak vol leugens te vertellen.
Teleurgesteld, maar niet uit het veld geslagen, begon de jongen er stevig op los te jokken. Minuten lang bedacht hij allerlei onwaarheden, maar de zak wilde niet vol raken. Er volgden nog vele leugens. Tenslotte zei hij: “Mocht ik niet met deze allerliefste prinses kunnen trouwen, dan heb ik toch in ieder geval al stevig met haar in het veld kunnen knuffelen.”
Dat was inderdaad een goede leugen, bedacht haar vader, maar hij zag dat zijn dochter opeens vuurrood werd. Toen ging de koning stevig twijfelen. “Toch is de zak nog niet vol,” zei hij, waarop de jongen vervolgde: “Onze hooggeëerde koning heeft onlangs zijn ezel…”
“Nu is hij vol, nu is hij vol!” riep de koning haastig. En zo werd de bruiloft van de hazenhoeder met de prinses dagen lang gevierd. Het ging er zo vrolijk aan toe, dat de verteller van dit verhaal wel wilde dat hij een van de eregasten uit verschillende landen was geweest. 

Wandelen in de tijd

Wanneer reizen door coronamaatregelen wordt beperkt, kun je mijmeren over de tijd dat je nog ongemoeid allerlei uitstapjes kon maken. Boeiende herinneringen die bijvoorbeeld senioren in de navolgende tekst koesteren.

Papiercollage van Joop

Alie en Jeroen hebben nog maar net hun koffie op, als die ochtend de Regiotaxi voor de deur staat. “Familie Veldman?” vraagt de chauffeur. Wanneer ze dat bevestigen, vervolgt hij: “Stapt u dan maar gauw in, want er wordt slecht weer verwacht.”

Daar is nu nog niets van te merken, in hun woonplaats schijnt zelfs een vriendelijk zonnetje. Ze gaan op weg naar het 60-jarig huwelijksfeest van hun goede vrienden Willy en Albert in de Achterhoek.

Ongeveer halverwege de reis lijkt de chauffeur gelijk te krijgen. Er komen steeds meer wolken voor de zon. Niet veel later vallen de eerste regendruppels en dat is het sein voor een toenemende verslechtering van de weersomstandigheden. Op een zeker moment wordt het zelfs pikdonker en daarna volgt een bombardement van enorme hagelstenen. Na een poos stapvoets te hebben gereden, besluit de chauffeur nu de taxi aan de kant te zetten. Het lijkt of ze daar uren staan. De ramen beslaan en langzaam zakt de temperatuur in de auto. Alie kruipt dichter tegen Jeroen aan en na enige tijd dommelen ze beiden in.

Zo maken ze allebei een reis door de tijd. Jeroen gaat terug naar het diamanten huwelijksfeest van zijn ouders, waarvan hij zich vooral de scheldpartij tussen zijn tantes Mieke en Ria herinnert. Hun ordinaire ruzie zorgde voor een smet op de voor het overige gezellige fuif. Alie ziet een piepjonge vrijer voor zich op de knieën gaan om haar ten huwelijk te vragen. Jeroen was wel niet de boer waar ze ooit op gehoopt had, maar achteraf heeft ze toch geen spijt van haar timmerman gekregen. Leuke tijd trouwens. Uitzet aanschaffen en na de trouwdag de cadeaubonnen verzilveren. O ja, grappig van die poffertjespan! In dezelfde winkel kochten ze ook een blusapparaat voor in hun dijkhuisje met rieten dak. Dat ontlokte bij de winkeljuffrouw de uitspraak: “Nou, jullie hebben geen hoge verwachtingen van het poffertjes bakken.”    

“Hallo, meneer en mevrouw Veldman, we zijn er.”

Ze schrikken wakker en stappen stijf uit.

“Dat was me het reisje wel hè,” zegt de chauffeur. “Gelukkig zijn we -zij het een beetje later-heelhuids aangekomen.

Even later betreden ze de feestzaal. “Hee, wat leuk!” roept Jeroen. “Iedereen heeft zich in middeleeuwse kledij uitgedost. Als we dat geweten…” Verbaast ziet hij dat zijn vrouw een lange donkerrode, fluwelen jurk aan heeft. Dan kijkt hij omlaag naar zichzelf, hij draagt een blauwe tuniek met daaronder beenkappen. Veel tijd om zich daarover te verbazen hebben ze niet, want twee schitterende prinsesjes pakken hun hand en zeggen: “Komt u maar mee, opa en oma zitten daar.”

“O, wat fijn dat jullie er ook zijn,” begroet Willy hen enthousiast, “ga gauw zitten voor de koffie. Straks praten we wel bij.”

Vooralsnog wordt er al met de andere genodigden heel wat af gebabbeld. “Zestig jaar al weer,” roept een man met een enorme hangsnor. “Wat vliegt de tijd,” vult zijn vrouw aan. Ze heeft een omvang die nauwelijks op één stoel past. “Ook de kilootjes vliegen er in verloop van tijd aan,” grapt een ander, als zij even de andere kant opkijkt.

Al snel verschijnt er pompoensoep met oerbrood en droge worst, die vele hongerige magen vult.

Dan staat Albert, de bruidegom dus, op en zegt. “Beste mensen, om deze maaltijd goed te laten verteren, stellen wij een wandeling voor op dit fraaie landgoed”.

Ze volgen hem door prachtige lanen, langs Rhododenbosjes en eeuwenoude eiken. Een pauwenverblijf met een smeedijzeren hek, een ijskelder en langs sierlijke stinsenvegetatie. Via een brug over de slotgracht komen ze bij de bijgebouwen van het kasteel. Meteen bij het betreden van een daarvan komt de indringende, maar aangename geur van paarden hen tegemoet. Een in officieel kostuum uitgedoste stalmeester heet hen van harte welkom. “Bekijkt u rustig onze paardenverblijven, de expositie van paardentuig, zadels en hoefijzers. Ook ziet u enkele historische rijtuigen, die op dit landgoed in gebruik zijn geweest. Aan het eind staan enkele koetsen klaar, met wie u desgewenst een tochtje kunt maken.”

Dat lijkt Alie en Jeroen ook wel wat en zo laten zij zich door een vriendelijke koetsier, die misschien wel net zo oud is als het kasteel, in een authentiek rijtuig helpen. Een tijdje volgen zij een zandpad en dan klinken de paardenhoeven op stenen klinkers. Ze rijden een dorp binnen en stoppen nabij de oude kerk. Het orgel speelt een prachtig concerto van Joseph Hayden, maar de koetsier laat hen uitstappen en wijst op een klein poortje. “Gaat u daar eens kijken.”

Ze bereiken een idyllisch pleintje, waar lokale boeren hun producten verkopen. Op gezellige terrasjes kunnen ze allerlei lekkere gerechtjes proeven, gemaakt van echte streekproducten. Gerookte beenham, schapenkaas, honing, vliersiroop, bovengistend bier, enzovoort. Ze wanen zich op een middeleeuwse markt. Onder de uitnodigende kramen bevinden zich er ook met allerlei sierlijk handwerk. Van gebreide sokken tot houtsnijwerk en van dromenvangers tot sierraden. Jeroen besluit zijn eega een mooie zilveren hanger cadeau te doen.

Dan is het weer tijd om met de koets terug te keren. Zachtjes klinken de paardenhoeven en doen Alie en Jeroen indommelen. Opnieuw worden zij opgeschrikt door een mannenstem, die zegt: “Bij de volgende kruising rechtsaf.” Het is het navigatiesysteem van de Regiotaxi. Niet lang daarna gevolgd door de stem van de taxichauffeur: “Zo, meneer en mevrouw Veldman, we zijn er.”

  



Comments are closed.