Schrijfsite

Shrunk Expand

Verhalen

Tijdreis

Inmiddels wordt er al weer volop gereisd, maar tot voor kort was er door corona sprake van wat lastige trips. Zoals even met het vliegtuig naar Londen voor een werkafspraak, een weekendje Barcelona of tien dagen naar de VS. Wel sterk toegenomen verkeersbewegingen waren afkomstig van pakketbezorgers.
Zo’n pandemie biedt alle gelegenheid om eens te mijmeren over hoe dat vroeger ging. Bijvoorbeeld in de tijd van Hendrik Bockhorst, zo’n driehonderd jaar terug.

Trekschuit, aquatint C.C. Fuchs, ca. 1810

Hendrik was de zoon van een rijke koopman uit Amsterdam. Zijn vader had het leven van zijn nageslacht een poosje aangezien en was toen tot de slotsom gekomen dat hij zijn ouderlijk gezag maar eens moest laten gelden.

“Beste jongen,” zo sprak hij, “ik ben van mening dat je lang genoeg geluierd hebt. Wil je ooit iets bereiken, dan is het nu tijd om aan te pakken. Ik stuur je naar een zakenrelatie, een kaasboer -als ik het zo mag uitdrukken- in Gouda. Slaag je in die opdracht, kun je terugkomen en later wellicht mijn taak overnemen.”

Om die bestemming te bereiken kon Hendrik niet even snel op de trein stappen, of een autootje van zijn vader lenen. Rond 1800 bestond nog maar 165 kilometer van het wegennetwerk in ons land uit verharde straatweg, vooral in steden. Daarbuiten zakten de rijtuigen en karren tot aan de assen in de modder, of verging je op de zandpaden van het stof. Vooral in waterrijke gebieden vond daarom het vervoer van mensen en goederen over water plaats. Het was een relatief snelle manier, goedkoper en redelijk veilig. Daarnaast konden er meer goederen meegenomen worden dan per kar en paard, hoewel dat door allerlei handelsbelangen geruime tijd niet optimaal functioneerde.

Op een zonnige ochtend in begin mei werd Hendrik door een personeelslid van zijn vader met een koets bij uitspanning ‘Berebijt’ afgeleverd. Tegen zeven uur meldde hij zich bij schipper Barend Swart van de ‘Aalscholver’. Heel enthousiast was de jongen niet, want een trekschuit, man, een suffer imago kon een vervoermiddel niet hebben. Niet voor niets werd in stadse kringen grappend gezegd ‘Die is zeker met de trekschuit gekomen’, over lieden die niet helemaal bij de tijd waren. Bovendien zou die reis acht uur duren, mits het aanleggen onderweg niet langer duurde dan strikt nodig was. De pijn werd gelukkig een beetje verzacht door de aanwezigheid een jonge stadsgenote, die eveneens aan boord van de Aalscholver stapte. Behalve dat ze bijna voortdurend in de weer was met een paar breipennen, was het wel leuk om een beetje met haar te babbelen. Ze bleken veel gemeen te hebben. Jacomina’s vader had een wasserij in de hoofdstad, maar de vuile was van Amsterdam werd voor een belangrijk deel door Goudse blekerijen gereinigd!

“Dat wasgoed behoort tot de stukgoederen van deze veerdienst, waarvoor een gedetailleerd tarief geld,” vulde Swart aan.

“En behoort het tot jouw taak om deze vracht naar Gouda te begeleiden?” vroeg Hendrik aan zijn reisgenote.

“Nee, dat kan de schipper zelf wel. Ik ben door mijn vader weggestuurd om praktische ervaring op te doen als dienstbode bij een adellijke familie in de kaasstad.”

Intussen gleden ze gemoedelijk over het rustige wateroppervlak van de Amstel. De trekschuit werd getrokken door een paard, dat met een lijn was verbonden aan de trekmast van de schuit.  Terwijl de schipper aan het roer stond, leidde een knecht het paard over het smalle jaagpad langs het water. Soms werd dit paard wordt ook bereden door die knecht. Alleen bij bruggen werd er afgehaakt, en eenmaal er onderdoor weer aangehaakt.

Nadat ze de buurtschap Nessersluis waren gepasseerd, wees Hendrik op een riant buitenhuis aan de waterkant. “Ik hoop dat de kaashandel een beetje winstgevend is, want in zo’n huis zou ik wel willen wonen.”

“Nou, dan heb je er ook nog wel een paar zakken geld van je vader bij nodig,” lachte schipper Swart.

Hendrik richtte zich daarop tot zijn reisgenote: “Heb jij ook toekomstplannen?”

Jacomina keek op van haar breiwerk. “Ik hou van kinderen, dus probeer ik een rijke jonker aan de haak te slaan om een gezin mee te stichten.” Ze lachte even en voegde toe: “Nou, nee hoor. Ik zou al blij zijn als ik een paar stuivers kan sparen voor mijn uitzet.”

Hendrik vond het blosje op haar wangen goed staan.

De reis leverde geen grote problemen op. Zonder alle details te vermelden, kan samengevat worden dat ze via de Drecht, Aar en de Gouwe keurig volgens schema de aanlegplaats in Gouda bereikten. Daar namen ze afscheid, waarbij Hendrik tegen Jacomina opmerkte: “Misschien ontmoeten we elkaar in deze stad nog wel eens.”

De ontvangst op zijn werkplek was heel anders dan dat Hendrik zich had voorgesteld. Op een grote boerderij buiten de stad werd hij meteen verzocht een kaasbrik mee te gaan laden. Met deze door een paard voortgetrokken wagen werd de ter plaatse geproduceerde kaas naar de Waag in Gouda vervoerd. Half in de avond waren ze terug in de boerderij. Hendrik was doodop en had honger als een paard. Tot zijn verbazing at hij niet bij het gezin van zijn werkgever, maar bij het personeel in een ruimte op de deel.

Pas de volgende ochtend ontmoette hij zijn werkgever. “Iemand die bij mij het vak van handelaar wil leren,” heette hij de jongen welkom, “moet onderaan beginnen met het vervaardigen van het te verkopen product.”

Dat kaasmaken vond Hendrik zeer vermoeiend en smerig werk. Hij hield het dan ook niet lang vol. Daarbij kwam ook dat de andere bedienden hem als Amsterdammer niet echt in hun midden accepteerden. Nauwelijks een maand later stond Hendrik op straat. Hij durfde niet terug te keren naar zijn vader en zwierf daarom enige tijd door de stad.  Tot hij op een dag aan de haven Barend Swart ontmoette.

“Hoe is het je vergaan, jongen?” vroeg de schipper.

“Nou, eerlijk gezegd, niet zo best. Ik ben weggestuurd door mijn werkgever en weet nu eigenlijk niet zo goed wat ik moet doen.”

Swart keek hem een poosje indringend aan. “Misschien weet ik wel wat, maar dan moet je er helemaal voor gaan!”

Naast de zorg voor personen en goederen had de schipper ook de taak om voor het berichtenvervoer te zorgen. Brieven en pakjes werden meestal bij hem aan huis bezorgd. In de stad aangekomen gaf hij ze over aan bestellers die voor de aflevering zorgden.

“Martinus is zo’n besteller en gaat binnenkort verhuizen naar Rotterdam,” lichtte Swart toe.

Hendrik ging een paar keer met Martinus mee. De eerste indrukken waren positief. Het werd nog spannender toen hij op een keer bij een herenhuis aan een gracht een pakje moest afgeven. Daarbij ving hij een glimp op van de dienstbode. Juist, hij herkende haar meteen, maar ze was weg voor hij iets kon zeggen. Later zag hij Jacomina nog een keer op de markt, waar ze stroopwafels voor haar mevrouw kocht. Toen durfde hij haar niet meer aan te spreken. Zo’n leuke meid wilde vast niets van een sukkel als hij weten.

Nadat hij de aanstelling als besteller had verkregen, was ze niettemin nog steeds in zijn gedachten. Daaruit ontsproot uiteindelijk een plan. Bij een volgende postbezorging aan het betrokken herenhuis, vond men daar een brief gericht aan mejuffrouw J. Lambion.

Korte tijd later troffen ze elkaar op de Markt vóór het Stadhuis. En na misschien een jaartje troffen ze elkaar IN het Stadhuis.

En hoe hun levensreis verder verliep, houden we uit privacyoverwegingen achterwege.    

Verrassingstocht

Lange tijd gingen we gebukt onder de gevolgen van COVID-19. Op het moment dat je dit leest is er wellicht nog sprake van versoepeling van de maatregelen. Waarschijnlijk blijft het leven echter voor altijd anders. Maar stel je je eens voor dat je op een dag een brief in huis krijgt. “Beste mevrouw of meneer” staat erboven. Nee, er staat vast de gender-neutrale aanhef “Beste lezer”. En dan volgt zoiets als: “Het kan weer! Er kan gereisd worden en daarom nodigen wij je van harte uit voor een gratis verrassingstocht.”

Wanneer je de pandemie goed doorgekomen bent en de beschermende vaccinaties hebt ontvangen, wilt je je dit buitenkansje vast niet laten ontglippen. Je vult dus benodigde gegevens op het aanmeldformulier in en brengt de retourenvelop naar de brievenbus. Kan uiteraard ook via internet, maar soms ervaar je die digitale handelingen allemaal als erg kil.
Er volgt een bevestiging en dan is het in spanning wachten. Waar zal de reis heengaan? Wie gaan er mee? Wat gaan we doen? En vele andere vragen zullen worden gesteld.

Het zal je niet bevreemden dat op deze uitnodiging een ongelofelijk aantal reacties binnenkwamen. Mocht je niet tot de gelukkigen behoren, dan volgt hier een samenvatting van de bevindingen van de eerste reisgroep. En om het iets spannender te maken verklappen we niet de plaats van bestemming.

Vanuit diverse streken werd een luxe touringcar gevuld met een gevarieerd gezelschap. De bus zoefde rustig over een aantal niet nader te benoemen rijkswegen. We laten onze impressie beginnen bij aankomst in de stad waar de uitverkorenen een rondleiding zouden ontvangen. De bus stopte bij het station. Omdat de historische binnenstad voor autoverkeer was afgesloten, gingen ze vandaar te voet verder.

“Dit station ken ik nog uit mijn jonge jaren,” vertelde een grijze senior met wenkbrauwen die leken op twee harige rupsen. “Na een lange treinreis kwam ik hier aan en wandelde dan die kant op.” Hij wees naar de Burgemeester De Raadtsingel aan zijn rechterhand. “Op de HTS aan de Oranjelaan volgde ik een avondopleiding voor bouwkundig opzichter-tekenaar.”
Zijn verdere relaas ging verloren, omdat ze de weg moesten oversteken in de richting van de Johan de Wittstraat.

Niet veel later bereikten ze het Statenplein, waar ze een knus pand uit de 17e eeuw binnengingen. Dit tot groot genoegen van onder meer Ria en Paul, twee gezellige Brabanders van rond de zeventig. Maakten voor het coronatijdperk met name dagreisjes per trein en gingen af en toe een weekje naar een vakantiehuisje. Bleven door de coronamaatregelen vooral thuis. Nu vonden ze het heerlijk om weer eens onder de mensen te komen. “En in dit restaurant weer aan de koffie en citroen-kwarktaart te zitten,” lachte Ria, met een innemende lach, waarmee ze haar hagelwitte kunstgebit ontblootte. “Weet je nog, Paul, die keer dat we hier tijdens een uitstapje onze groep kwijtraakte omdat jij problemen had met de spijsvertering en te lang op de wc bleef zitten?”

Soms lijkt het alsof mensen zich min of meer pikante gebeurtenissen het best herinneren. Neem nu bijvoorbeeld Anja en Nel, twee jong uitziende dames van onbestemde leeftijd. Zij waren best blij dat er deze dag naast culturele aandacht ook tijd ingeruimd was om iets van de sfeer te proeven van het ruime winkelaanbod. Terwijl er werd gewandeld over de lange Voorstraat, zei Anja: “Hier ergens hebben we eens een modezaak bezocht, waar jij je garderobe hoopte aan te vullen. Terwijl je daartoe in een paskamer verbleef, zag ik een gehaaste vrouw binnenkomen. Met een blos op haar wangen en enigszins bedremmeld hoorde ik haar tegen een verkoopster zeggen: “Ik ontdekte net op de Markt dat ik geen bh aanhad. Waarschijnlijk heb ik die hier in het pashokje laten liggen.”

Van geheel andere orde was het bezoek aan het monumentale woonhuis van een bekende bankier en verzamelaar. “Je kunt wel zien waar deze bankier zijn geld gelaten heeft,” merkte een man op die zelf blijkbaar een verzamelaar van tatoeëringen was.
“Ja, en bijna was mijn bankpas ook aan de collectie toegevoegd,” vulde zijn metgezel aan.“
Hoezo?”
“Wel, toen ik hier eerder te gast was, verloor ik bij het tonen van m’n museumkaart mijn bankpas. Gelukkig werd die door een andere bezoeker gevonden en kwam alles weer goed.”

Uiteraard hoort bij deze stad ook een moment van aandacht voor religieus erfgoed. Wat leent zich daarvoor beter dan de Grote Kerk, met prachtige koorbanken voorzien van middeleeuwse misericorden.
“Wat zijn dat, oma?” vroeg kleindochter Maartje.“
Dat zijn steunbalkjes bij de houten koorbanken, waartegen monniken tijdens het lange staan konden leunen. Er zijn Bijbelse voorstellingen, spreekwoorden en taferelen uit het dagelijks leven in uitgebeeld.”
Ze wees op twee blote engeltjes, “Zoals deze bijvoorbeeld,” terwijl er lachrimpeltjes verschenen in haar toch al gerimpelde gezicht.
“Schattig oma.”
Toen betrok het gezicht van de oude vrouw. “Toen opa nog leefde, gingen we hier wel eens luisteren naar een orgelconcert of de zang van een mannenkoor.”

Volgende halte vormde het Stadhuis. “Dit ken ik nog heel goed,” riep een jongen enthousiast. “Van de eerste Koningsdag nieuwe stijl. Alex en Máxima gingen eerst met hun meisjes varen. Daarna waren er nog wat nieuwe elementen. De festiviteiten eindigden met een popconcert.”
Zijn welgevormde vriendin knikte. “En dansen bij de vrolijke klanken van ‘Sexy als ik dans’, het liedje van Nielson.”

Inmiddels waren de uren voorbijgevlogen en werd het tijd om naar de bus terug te keren. Onderweg konden de reizigers nog heerlijk met elkaar napraten. Zij bereikten allemaal heel voldaan hun eigen woonplaatsen.

Misschien, beste lezer, dat ook bij jou allerlei herinneringen aan deze stad naar boven zijn gekomen. Laat het gerust eens horen.

Emigrant

Bijgaande afbeelding is van Antonio Gravante, op Dreamstime.com.

In de drang om iets te bereiken in het leven, mee te tellen in de maatschappij, prestaties te etaleren en liefst ook nog aanspreekbaar te blijven voor je naaste, loop je soms hopeloos vast. Al die drukte en zoveel activiteiten kosten steeds meer inspanning. Er ontstaat verwarring over de zin ervan. Zijn het geen oppervlakkige en nodeloze prikkels, nutteloos gepraat? Is dat het wat je leven inhoud moet geven? Doe ik er werkelijk toe?


Dergelijke gedachten drongen zich steeds meer op aan Harold. Zijn drukke baan en die van zijn partner Vanessa gaven hen nauwelijks een moment van rust. Zij kwamen tot de conclusie dat het ook anders moest kunnen en om dat proberen te bereiken besloten ze de randstad te verlaten. Er volgde een oriëntatie in het noordoosten van het land. Daar troffen zij een paar rustiek neergevlijde boerderijen, als enige bouwsels in een wisselend landschap, op korte afstand van een kleine dorpskern. Een van die boerderijen stond te koop. Een met geschiedenis doordrenkt bouwwerk, omgeven door een romantisch terras en grote tuin. Het pand was al geruime tijd verlaten en maakte daardoor ook een vervallen indruk. Dromend over wat er van gemaakt kon worden, vielen zij er toch voor. Zeker voor westerse begrippen hing er een schappelijk prijsje aan.
Maar er moest dus wel heel wat aan gesleuteld worden om het weer bewoonbaar te maken en te laten beantwoorden aan wat Harold en Vanessa voor ogen stond. Naast een royale woon- en leefruimte, wilden beiden een plek om thuis te kunnen werken en daarnaast namen ze zich voor om meer tijd en ruimte te creëren voor hobby’s. Met betrekking tot dit laatste liet Vanessa haar oog vallen op de oude stal. “Hier kan ik een prachtig schildersatelier van maken,” riep zij enthousiast. “Met wat meer lichttoetreding en misschien ergens wat bergruimte.”
“Daarvoor kunnen we waarschijnlijk wel dat muurtje weghalen, want als ik het vanaf buiten goed zag, zit daar nog iets van een aanbouw,” dacht Harold met haar mee. Hij legde het voorstel neer bij de plaatselijke aannemer die de verbouwing van de boerderij voor hen uitvoerde.
Kort daarna keken de kersverse huisbezitters toe hoe de sloophamer zijn werk deed. Zodra het laatste stof was opgetrokken, knipperden zij met hun ogen en konden een moment geen woord uitbrengen. De ondernomen actie onthulde nu een gruwelijk tafereel: Op een bankje in een nis zagen zij de halfvergane resten van een menselijk lichaam.
Alle werkzaamheden werden onmiddellijk stopgezet en de autoriteiten gewaarschuwd. Een onderzoeksteam ging aan de slag. Het bleek te gaan om de stoffelijke resten van een man. Al snel werd duidelijk dat het de vorige bewoner betrof, van wie altijd was aangenomen dat hij naar Amerika was geëmigreerd. Een brief tussen de gevonden spullen in de ‘gruwelkamer’ maakte veel duidelijk.

Beste vinder(s),

Het liefst had ik u deze vondst bespaard, mijn welgemeende excuses voor het ongemak. Ik schrijf u dit om misverstanden te voorkomen en onbedoelde verdachtmakingen uit te sluiten. Ik heb er zelf voor gekozen hier mijn laatste rustplaats te maken.
Maar nu wilt u natuurlijk ook weten waarom, waarom ik tot dat besluit ben gekomen. Ter compensatie van het ongerief wil ik iets daarvan proberen prijs te geven. Voor mij betekent dit het schrijven van de laatste bladzijden van mijn levensboek. Eigenlijk is dat maar een dun boekje, want mijn leven heeft weinig voorgesteld. Nou ja, aan één plicht heb ik ruimschoots voldaan: ik heb mijn ouders tot hun einde toe naar vermogen goed verzorgd.
Daarna bleef er niets over om voor te gaan. De moed om een meisje te vragen ontbrak me al jaren en met een man samenwonen durfde ik al helemaal niet. Zeker met al die nachtmerries over gebeurtenissen van vroeger waarmee ik u niet wil belasten. Soms kon ik in het café met een biertje mijn gedachten uitschakelen. Terug in de lege boerderij kwamen de muren op mij af. De laatste dieren in de boerderij waren verdwenen, behalve een oude, schuwe lapjeskat. Wanneer het donker werd verschenen andere monsters.
Eén keer droomde ik over een poort, die ik zag tijdens een zwerftocht over de heide. Daarachter een paradijselijk oord, waaruit zachte stemmen klonken: “Kom bij ons.” Eigenlijk geloof ik helemaal niet in zoiets. Maar die poort bracht me wel op een idee. Als er na dit leven niets meer is, dan dus ook geen somberheid, eenzaamheid, wanhoop en uitzichtloosheid. Ik maakte voor mezelf een balans op en concludeerde dat ik niets meer van het leven te verwachten had.
Sommige mensen springen dan voor de trein of knopen een touw aan een zolderbalk. Daar wilde ik mijn dorpsgenoten niet mee opzadelen. Dus bereidde ik iets anders voor, door rond te vertellen dat ik een nieuw bestaan ging opbouwen in Amerika. Ik kocht een troffel en cement. Verzamelde al mijn bescheiden bezittingen in de reiskoffer van mijn moeder. Zocht het jachtgeweer van mijn vader. Pakte een brood, een stuk kaas, een fles wijn en een paar kaarsen. Toen ging ik aan de slag om in een vergeten hoek van de stal een muur om me heen te bouwen.
Ik heb net de laatste steen gemetseld. Door de open voegen in de buitengevel komt nog wat lucht. Terwijl ik dit schrijf, neem ik af en toe een hap en drink van de wijn. De rest valt, denk ik, wel te raden.

Ik groet u,
Gertjan K. 

  



Comments are closed.