Schrijfsite

Shrunk Expand

Verhalen

Boekenwijsheid

Terwijl de cursor uitnodigend op mijn computerscherm staat te knipperen, dwalen mijn gedachten af. Een professioneel auteur zou eerst de tijd nemen om na te denken, voor er met schrijven  begonnen wordt. Zich afvragend: wat en voor wie ga ik schrijven, wat wil ik gaan zeggen en kan ik het onderwerp nog verbreden? Misschien vooraf nog wat aantekeningen maken, of een schemaatje opstellen. 
Voor anderen is de verleiding wellicht groot om er meteen op los te gaan. Maar kijken wat er uit de vingers komt, het hoofd leeg maken, bladzijden vullen en er dan zonodig in gaan schrappen.

Ik zit te mijmeren en laat mijn blik langzaam over de boekenplanken om mij heen dwalen. In de coronatijd zijn er diverse knutselwerkjes tussen de boeken verschenen. Hout, papier, schelpen en andere materialen hielden mij plezierig bezig. Daarvoor moest leesvoer wijken. Eigenlijk geeneens zo moeilijk. Diverse werkjes bieden weinig verrassing meer of beginnen toch wel erg gedateerd te geraken. Daarnaast ligt het vaak voor de hand om papieren informatie te vervangen door digitale.   

Zo is er bijvoorbeeld het Trouw schrijfboek, een bijna 800 bladzijden tellend boekwerkje. Het verkleinwoord slaat hierbij op het pocketformaat. Deze uitgave is bedoeld als: “Een vraagbaak voor iedereen die foutloze, heldere en liefst pakkende teksten wil schrijven.”
Het complete boek is ook op internet te raadplegen, maar dat heb ik nooit gedaan. Ik moet zelfs bekennen dat ik de papieren versie niet vaak heb opengeslagen.

 

Daarnaast kom ik tegen: Het Cultureel Woordenboek, Encyclopedie van de algemene ontwikkeling. In de inleiding voegen de redacteuren fijntjes aan de lange titel toe: “… voor wie wat ouder wordt is dit boek een goede geheugensteun en kan veel terughalen van wat vroeger geweten werd.” Op mijn leeftijd (laten we zeggen: als jonge senior) kun je je wel afvragen of je al die kennis nog nodig hebt. Het is heel boeiend om zo’n boek door te bladeren en nu en dan eens wat te lezen, als een kip die hier en daar een graantje meepikt. Maar veel ervan zal ik morgen weer vergeten zijn.
Wanneer nodig kun je natuurlijk later eens iets opzoeken. Maar zoals gezegd gebeurt dat niet zo vaak dat je een boekenkast met dergelijke naslagwerken nodig hebt.  Want wie in deze tijd iets zoekt, gaat vrijwel altijd meteen googelen, een woord dat ik trouwens niet zo snel in dit boek kan vinden.
Wel valt er veel te lezen over de ontwikkeling van ons schrift en taalgebruik. Schrijven begon pakweg 3000 jaar voor Christus met behulp van tekeningetjes. Bekend als de hiërogliefen van het oude Egypte. Ongeveer uit die periode stamt ook het spijkerschrift uit het land van Soemer in het huidige Irak, het zuidelijk deel van het vroegere Mesopotamië. Het spijkerschrift werd geschreven op kleitabletten, waarop men met een rietstengel wig- en spijkervormige inkepingen maakte.
Hierna volgde een schriftsysteem dat werd uitgevonden door de Phoeniciërs, bewoners van Libanon en Palestina. Befaamd om hun handelsgeest en kennis van zeevaart. Zij gaven niet alleen een tekeningetje weer voor woorden of lettergrepen, maar maakten lettertekens voor afzonderlijke klanken. Feitelijk waren dit echter alleen medeklinkers.
De Grieken bedachten rond 900 v Chr. dat het nog makkelijker was om daaraan klinkers toe te voegen. Zo ontstond een Alfabet, een woord dat is afgeleid van de Griekse letters alfa en bèta. En om nu maar een lang verhaal kort te maken: Uit het Griekse alfabet ontwikkelden zich diverse talen, waarmee mensen kunnen communiceren en informatie vastleggen. 

Dat was even een stukje geschiedenis over de ontwikkeling van taal. Behalve de manier van schrijven, kan er natuurlijk ook van alles gezegd worden over de betekenis van woorden. Ik lees in bovenvermeld boek dat Geschiedenis meer is dan alleen een verzameling gebeurtenissen. Vaak gaat er veel aan een gebeurtenis vooraf en sommige gebeurtenissen hebben ingrijpende gevolgen of brengen grote, soms blijvende verandering teweeg.
Wat schrijven betreft heb ik de voortschrijding van pen naar computer, tablet en smartphone mee beleefd. Met betrekking tot de huidige invloedrijke gebeurtenis van COVID-19 is het eveneens niet ondenkbaar dat het nog een lange geschiedenis wordt. Maar dat is een heel ander verhaal.   

Eh… eens kijken, wat wilde ik eigenlijk ook al weer schrijven? O ja, een stukje voor mijn schrijfsite. Bij deze dus!

Twaalf

Wat doe je zoal in twaalf minuten?
Nou, bijvoorbeeld onderstaand verhaal lezen over twaalf maanden.

Twaalf minuten

Wat doe je zoal in twaalf minuten? Niet veel, zul je misschien zeggen. Maar in twaalf minuten rijdt je bijvoorbeeld met de intercity van Dieren naar Arnhem. En in de trein hoor je soms een compleet levensverhaal van een medereiziger. En wat kun je dan allemaal wel niet doen in twaalf maanden, een heel jaar? Hoewel tijd iets ongrijpbaars is, gaat het er om hoe je die minuten, dagen en maanden benut. Of eigenlijk ook hoe je er mee omgaat.
Ik zocht twaalf minuten op de boekenplank in mijn werkkamer  en vond in het boek ‘Van goden en mensen’, van uitgeverij Elmar uit 2004, het volgende Nieuwgriekse sprookje:          

Een arme weduwe had vijf kinderen, die ze nauwelijks in het leven kon houden. Slechts één keer per week mocht ze bij een rijke vrouw in de buurt het brooddeeg kneden. Voor haar moeite kreeg ze dan niet eens een stuk brood voor haar kinderen, maar mocht ze weggaan met de deegresten aan haar handen. Thuis waste ze die in schoon water en dit water kookte ze tot er een soort pap ontstond die ze haar kinderen te eten gaf. Op de een of andere manier zagen haar kinderen er daardoor gezonder uit dan die van de rijke vrouw. In het rijke huis ontstond jaloezie. Vanaf dat moment liet de vrouw haar hulp zorgvuldig de handen wassen voor ze naar huis ging.
De arme vrouw ging daarop van deur tot deur om aan mensen een stukje droog brood te vragen. Dat liet ze in water weken, verdeelde het onder haar kinderen en stuurde ze naar bed. Ze had intussen zelf alle moed verloren en besloot kort na middernacht het huis te verlaten om niet te hoeven aanzien hoe haar kinderen van honger zouden omkomen.
Gekweld door eenzaamheid dwaalde ze door het donker, tot ze op een heuvel een licht zag branden. Ze ging erheen en constateerde dat het licht uit een tent kwam. Nieuwsgierig gluurde ze naar binnen. In het midden van de tent hing een grote kroonluchter met twaalf lampen. Daaronder zaten twaalf jonge mannen.
“Gegroet, moedertje,” zei een van hen, “kom binnen en ga zitten.”
Al snel was er warme thee en wat te eten. Toen begonnen de mannen haar van alles over de plaats waar zij vandaan kwam te vragen. Zij probeerde zo goed mogelijk te antwoorden.
Een jonge man met open hemd vroeg opeens: “En wat denkt u van maart, april en mei?”
“Dat zijn prachtige maanden, waarin alles kleur krijgt en begint te groeien,” reageerde de weduwe.
“En de maanden juni tot en met augustus dan?” bracht een man met opgestroopte mouwen naar voren.
“Ook een goede periode, want dan kunnen we oogsten wat er gezaaid is.”
Twee mannen met een enorme druiventros vroegen: “En bent u ook positief over september, oktober en november.”
De vrouw glimlachte. “Natuurlijk, we worden vrolijk door de wijn en worden er aan herinnerd dat we ons klaar moeten maken voor de winter.”
Het was niet zo vreemd, dat er ook mannen met bontmantels waren, die de vraag stelden: “Wel, hoe staat het met de maanden december, januari en februari?”
“Die horen er net zo bij als alle anderen. We rusten uit van het werk, zorgen dat het binnen gezellig is en maken plannen voor de rest van het jaar.”
De mannen knikten goedkeurend. Een van hen gaf haar een afgesloten kruik. “Neem deze mee, moedertje en geef je kinderen te eten.”
“Heel hartelijk bedankt, jongens, ik wens jullie nog vele goede jaren.”
Tegen ochtend bereikte ze haar huis en bemerkte daar dat de kruik tot de rand gevuld was met goudstukken. Vanaf dat moment was er voldoende eten voor haar kinderen en ze kregen ook nieuwe kleren.

Dat bleef niet onopgemerkt bij de rijke vrouw en die kwam eens informeren. Ze kreeg alles te horen en besloot zelf ook op zoek te gaan naar die geheimzinnige tent. Daar trof ze eveneens de jongemannen aan, die haar wat te eten aanboden, dat ze afsloeg. “Wat denkt u over de maanden van het jaar?” vroegen zij vervolgens.
“Ach, elke maand heeft zijn eigen ergernis. Wanneer we in augustus aan de hitte gewend zijn, brengen september tot november ons niets dan kou. In december, januari en februari bevriezen we haast en kunnen we door de sneeuw niet naar buiten. Van maart tot en met april weet je nooit waar je aan toe bent. Daarna moet er in mei, juni en juli hard gewerkt worden en heb je eens even tijd om buiten te zitten, dan regent het.”
Even leken de mannen niet te reageren, maar toen ontving zij toch een afgesloten kruik, met de woorden: “Neem deze mee naar huis, sluit je in je eentje op in een kamer en maak deze kruik dan open.” Zo gezegd, zo gedaan. Ze spreidde een laken uit, opende de kruik en keerde hem om. En wat kwam eruit? Niets dan slangen, die zich gretig op haar stortten.    



Comments are closed.