Schrijfsite

Shrunk Expand

Verhalen

Sneeuwwitje en de meisjes van Verkade

Vanaf de Julianabrug kijkt hij uit over de rivier De Zaan, met op de achtergrond de beroemde molens. Ongeveer op deze plek ontwierpen in 1574 patriotten in dienst van Willem van Oranje een schans tegen de Spaanse troepen. Later, in de 18e en 19e eeuw, vestigde er zich een woon- en werkbuurt.
Tot het stoomtijdperk waren in de Zaanstreek zo’n zeshonderd windmolens actief om meel, cacao, specerijen en verf te malen, hout te zagen en olie te persen. Ook vele ambachten kwamen rond deze molens tot ontwikkeling, zoals de wereldberoemde voedingsindustrie van Verkade en de grootgrutter Albert Heijn.
Begin zestiger jaren van de vorige eeuw werd hier ‘De Zaanse Schans’ ontwikkeld. Nu niet om Spanjaarden tegen te houden, maar om het typisch Hollands industrieel erfgoed te bewaren.
De Zaanse Schans werd een museum, dat kort geleden gebukt ging onder de pandemie. Ook hijzelf kwam daardoor in de problemen; het evenementenbedrijf waar hij decorbouwer was, ging failliet. Gelukkig kon hij hier als klusjesman aan de slag. Want het sterk verminderde bezoekersaantal bood de mogelijkheid voor allerlei onderhoudstaken, zeker ook bij de panden die als woonhuis aan particulieren worden verhuurd. Hij benut zijn lunchpauze voor een frisse wandeling.

Hij schrikt op uit zijn gemijmer door hard klinkende schoenhakken, die de brug op komen lopen. Feitelijk zijn het laarzen met hoge hakken, maar daar heeft hij geen oog voor. Het is het oogverblindend mooie gezicht van de vrouw, omlijst door lange, zwarte haren, dat zijn aandacht trekt. Dichtbij glimlacht ze verleidelijk en knikt naar hem. Ze is al voorbij als hij iets van een groet mompelt. Op de rug van haar paarse ski-jack staat: ‘Snow-white’. In een naar parfum ruikende roze wolk wordt hij meegevoerd als een van de zeven dwergen. Onbedwingbaar gaat hij achter haar aan. Ze slaat de hoek om naar de Lagedijk.
Honderden meters verder komt hij tot bezinning. Wat bezielt hem? Hij moet aan het werk. Maar dan ziet hij dat ze ook stilstaat, omkijkt, hem wenkt en weer doorloopt. Onzeker gaat hij verder.

Bij de deur van een monumentale woning stopt ze en haalt uit haar tas een sleutelbos tevoorschijn. “Kom binnen in het ‘Honig Breethuis’. Hier woonde en leefde anno 1830 een Zaanse koopmansfamilie.”
Hij meent aan haar spraak te oordelen dat ze van buitenlandse afkomst is. Tegelijk wordt hij overweldigd door de prachtige inrichting van het huis, die er uitziet alsof de bewoners net even zijn weggelopen.
Ze glimlacht voldaan. “De eerste bewoner was Cornelis Jacobsz Honig, die het huis rond 1710 bouwde. Meneer Honig (later opgevolgd door familie Breet) is vooral bekend vanwege het prachtige witpapier dat hij maakte met zijn molen De Vergulde Bijkorf. Op dit kwalitatief hoogwaardige papier schijnt zelfs de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring in 1776 te zijn vastgelegd.”

“Dat is heel boeiend, maar… als je het me niet kwalijk neemt, wie ben jij eigenlijk?” 
Ze steekt haar hand uit. “Rasha. Ik ben feitelijk een collega van je. Jij zit toch bij Onderhoud?”
Hij knikt bevestigend. “Ik ben Xander.”
“Nou, ik werk bij Beheer.”
Dat zegt hem vooralsnog weinig.
Ze loopt naar de achterdeur. “Kijk, deze deur sluit niet goed en we willen natuurlijk hier geen inbrekers hebben.” Ze kijkt hem nu recht aan. “En zo zijn er nog wat meer te verrichten klusjes, die ik je even wil laten zien.”

Weer buiten, vraagt ze: “Zin in een stevige wandeling?”
Met dit aangename gezelschap heeft hij daar geen enkel bezwaar tegen.
Ze neemt hem mee verder de straat in, terwijl ze haar smartphone tevoorschijn haalt. “Even bellen,” zegt ze, “of Karel ons kan overzetten.”
Ze heeft het over de veerman van het voetveer, die zomers toeristen de Zaan overzet en dan met een snoeptrommel rondgaat. In de huidige periode ziet hij ook kans om Rasha en Xander veilig naar de Schans terug te brengen.

Al wandelend langs de verschillende molens merkt Xander op: “Wat een contrast met een paar jaar geleden. Toen ik hier op bezoek kwam, was het stampdruk en ondanks al die Nederlandse cultuur leek het net alsof ik me in het buitenland bevond. Vele nationaliteiten kwamen de Dutch molens en houten schoenen bewonderen.”
“Nu is het inderdaad een stuk rustiger en zijn de buitenlanders vooral arbeidsmigranten, die een eindje verderop tijdelijk gehuisvest zijn in het restaurant ‘De Hoop op d’ Swarte Walvis,’ het voormalige weeshuis uit 1717.” Rasha kijkt hem glimlachend aan. “En dan heb je mij nog; ik kom uit Syrië.”
“Je spreekt goed Nederlands. Ben je al lang hier?”
“Vanaf 2012. Ik heb eerst Kunstgeschiedenis gestudeerd. Kon daarna geen werk vinden en ben uiteindelijk hier terecht gekomen.”
Ze passeren nu houtzaagmolen Het Jonge Schaap.
“Je bent dus eigenlijk een soort meisje van Verkade,” grapt Xander.
Ze lacht. “Zeker, een van de misschien wel honderden die hier de fabriekspoorten doorkwamen. Ik heb gelezen dat ze blauwe werkschorten droegen en een haarnetje op het hoofd. Ze zaten aan de lopend band, waar ze trommels met koekjes moesten vullen. Ze ontdeden ook de kersen van hun steeltjes en doopten ze in de brandewijn voor de kersenbonbons. Daarnaast voorzagen ze handmatig de cafénoir-koekjes van hun koffiebruine bovenlaag. In het Verkadepaviljoen staat een aantal van de originele machines opgesteld. Hier kun je zien hoe er biscuitjes en chocoladerepen werden gemaakt.”
“Soms wordt er wel eens wat neerbuigend over die meisjes gedaan. Maar eigenlijk vormden zij een begin van de emancipatie van de vrouw. Voor die tijd hadden vrouwen maar weinig mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Ze konden nog wel onderwijzeres of verpleegster worden, maar werden ontslagen als ze gingen trouwen. Nu konden vrouwen in de fabriek aan de slag, zelfs als ze kinderen hadden, want Verkade had een eigen crèche. En de meisjes van Verkade konden ook deelnemen aan kook- en naailessen om ze klaar te stomen voor het huwelijk.”
“Volgens mij kun jij hier ook zo als gids aan de slag,” lacht Rasha.

Inmiddels zijn ze specerijmolen De Huisman gepasseerd en lopen de Kalveringsdijk op.
“We komen zo bij de eerste winkel van AH, met het originele interieur uit 1887. Daar moet ook onderhoudswerk gebeuren, maar nog belangrijker: er is verse koffie,” vertelt Rasha.
Nog iets verder is het museum ‘Zaanse Tijd’ gevestigd; daarbinnen loopt, tikt en slaat van alles. Bij AH lijkt de tijd stil te staan. Ze inventariseren wat voor werk er moet gebeuren en gaan dan even zitten voor de koffie.
“Volgens mij ben ik niet geschikt als gids,” merkt Xander op. “Want wat betekent dat woord ‘tarreren’ daar?”
De winkeljuffrouw legt hen uit dat mensen vaak van thuis een kopje meenamen om met bepaalde waren te laten vullen. Bij de weegschaal liggen nu nog enkele steentjes die werden gebruikt om het gewicht van zo’n kopje te tarreren, zodat men de netto, bruto en tarra gewichten kon vaststellen.

Je begrijpt, beste lezer, dat het verhaal hiermee nog lang niet af is.  Maar misschien ben je toch al wel een beetje nieuwsgierig geworden naar dit boeiende gebied. Een bezoek er aan kan ook van harte aanbevolen worden. Niet alle attracties in de Zaanse Schans zijn elke dag open. Via hun website kan een handige planning gemaakt worden van alle plekken waar je wél langs kunt.
Maar Rasha en Xander zul je dan helaas niet tegenkomen!

Biertje?

Ik las eens ergens een verhaal over een Engelse Lord, die – zoals veel 18e-eeuwse aanzienlijke heren – vond dat zijn landgoed niet compleet zou zijn zonder het melancholieke accent van een kluis met inwonende kluizenaar. Daarom liet deze Lord op een afgelegen gedeelte een geschikt onderkomen bouwen tussen knoestige boomwortels. Vervolgens plaatste hij een advertentie in The Times om gegadigden op te roepen voor de positie van kluizenaar. De sollicitant zou een bijbel, een bril, voedsel en water, een matje en een mantel krijgen. Hij mocht zeven jaar lang zijn haar, baard of nagels niet knippen en met niemand praten. Daarna zou hij de som van ik meen zevenhonderd pond krijgen uitgereikt.  
De man die het baantje kreeg hield het slechts drie weken vol.
“Voelde je je te eenzaam? vroeg de Lord.
“Mag ik eerst een biertje?” was de reactie van de beoogde kluizenaar. Na zijn pul half geleegd te hebben, motiveerde hij: “Het vooruitzicht zeven jaar op water te moeten leven, zonder op z’n tijd een biertje, dat kan ik niet verdragen.”

Wanneer je geen liefhebber bent van gerstenat, zul je dit verhaal misschien een sprookje vinden. Maar wat is daar mis mee? Want wie is er niet mee opgegroeid? Met sprookjes, spannende oeroude vertellingen, vaak met een boodschap. Oké, hoor ik zeggen, maar ook met Sinterklaas, de Kerstman en vele andere waarheden, die later toch iets anders bleken te zijn. “Later, als je groot bent dan …” zeiden papa en mama. En ook vele keren daarna werden beloften gedaan en hoge verwachtingen gewekt. Vaak worden die vroeg of laat als sprookjes ervaren, mooi verwoord maar niet echt.

In die verhalen leven de hoofdfiguren doorgaans ook nog lang en gelukkig. Maar zo vanzelfsprekend is dit allemaal niet. Naarmate je ouder wordt stel je steeds vaker vast dat veel mensen die we hebben gekend er niet meer zijn en een hele hoop dingen zijn veranderd. Om weemoedig van te worden.

Maar je kunt daarentegen ook mooie herinneringen koesteren en inspirerend laten zijn voor het heden.  Ik herinner mij bijvoorbeeld de ouders van mijn moeder, die naast ons in een oude woonboerderij woonden. Oorspronkelijk een met riet afgedekt bouwwerk. Globaal bevatte het van links naar rechts: een grote, deels houten schuur, in het midden onze woonruimte en aan de rechterkant het woongedeelte van opa en oma, of ‘opoe’ noemden we haar toen. Op de verdieping vier slaapkamers en enkele zolders c.q. overlopen.  

Van opa kan ik me niet zo veel herinneren. Hij overleed in 1961, volgens de rouwkaart na een langdurig geduldig gedragen ziekte, in een gezegende ouderdom van 77 jaar. Mijn zus en ik waren ook bij de begrafenis aanwezig, maar ik kan me daar niets meer van herinneren. Ik weet ook niet meer of opa op het laatst een beetje in de war was, of al eerder niet zo erg handig. Hij moest in ieder geval op een keer een eenvoudige sluiting voor de deur van het kippenhok maken. Dat kon door in het midden van een wervel (een blokje hout) een spijker te steken en die op de stijl van het kozijn vast te timmeren. Draaide je de wervel voor de deur dan bleef deze mooi dicht zitten. Opa spijkerde het blokje echter op de deur en was heel verbaasd dat de deur elke keer open zakte.

Opoe werd heel oud – zij werd 98 jaar – en mede daardoor heb ik meer ervaringen bewust met haar gedeeld. De belangrijkste herinnering uit onze kindertijd is dat zij ontzettend goed verhalen kon vertellen, zo uit het blote hoofd. Mijn zus en ik hingen aan haar lippen als zij in platte streektaal ons sprookjes vertelde of gedichtjes voordroeg. Het laatste deed ze trouwens ook nog op hoge leeftijd voor de bejaardenbond. Soms lees ik een sprookje en dan hoor ik daarbij nog de klank van haar stem.

Onlangs las ik een sprookje uit Litouwen, oorspronkelijk gedateerd 1904 en in 1996 opgenomen in een verhalenbundel van Uitgeverij Elmar. Het heet: ‘De mus en de Kater’ en ik vat het nu in eigen woorden samen:

Eens was een boer op weg naar de molen een paar gerstkorrels verloren. De mussen zagen het en kwamen aangevlogen. De mussenschaar pikte, kwetterde, hipte rond en was blij. Ze aten bijna alles op, er was nog maar een enkele gerstekorrel overgebleven. Toen sprak een oude mus: “Wat zijn jullie toch dom! Ik maak bier van de gerstekorrel, en dan zal ik drinken tot ik dronken ben.”

En dat deed hij ook. Hij pakte de gerstekorrel, vloog ermee naar een plas en weekte de korrel in een kuiltje dat een koe met haar hoef gemaakt had. Toen vloog hij naar de hopgaard, haalde een hopbloem en weekte ook die naast de korrel. De korrel zwol op in het water, werd dik en rond, de hop ging drijven en viel uit elkaar. In het kuiltje ontstond bier. De mus dronk en dronk. Toen draaide hij zich dronken rond aan de rand van de akker en sloeg met zijn vleugeltjes.

Plotseling was er een kater – en pats! – die de dronken mus greep. Hij legde hem voor zich op de grond en wilde hem meteen opeten. De mus huilde echter vreselijk en smeekte hem dringend: “Vriend kater, eet me alsjeblieft niet op en laat me vrij. Wat moet er anders van mijn vrouw en kindertjes worden?”

De kater likte zijn lippen en zei: “Ik heb geen medelijden met je. Moest je maar niet dronken ronddraaien.”

De mus reageerde in tranen: “Als je me moet doodmaken, sla dan tenminste eerst een kruis, voor je me op eet.”

“Dan kan ik wel doen,” zei de kater. Hij trok zijn klauwen in en hief een poot om een kruis te slaan.

De mus schudde zich even en ontsnapte toen razendsnel. Hoog op een tak riep hij naar de verbaasde kater: “Als je dronken bent, draai dan niet op de grond rond. En als je iets door God gegeven is, sla dan geen kruis.”

Dit ter lering en vermaak.

Woorden met een verhaal

Om nieuwe aanwinsten een plaatsje te gunnen op mijn boekenplank, ben ik genoodzaakt oudere exemplaren te verwijderen. Het blijft boeiend om wat je op deze manier in handen krijgt nog eens door te bladeren. Een extra uitdaging is: proberen er een nieuwe tekst van te genereren.

Kleurwerk Joop

Ik heb nu bijvoorbeeld aan het stof onttrokken: ‘Woorden met een verhaal’, van Ewoud Sanders, uit 2004. Dit boek is dus bepaald niet spiksplinternieuw, maar toch nog wel tamelijk actueel, omdat het over de herkomst van verschillende woorden gaat. Voor mij is het eigenlijk wel nieuw, want ik heb het nog niet eerder gelezen. Zo gaat dat soms. Je ziet iets in de boekwinkel wat interessant lijkt, of waar je wellicht je voordeel mee kunt doen. Meenemen dus. Maar dan belandt het ongemerkt toch uit het zicht. 

Ik heb echter besloten dit boek nu meteen te lezen en niet te wachten tot Sint-Juttemis. En dat is maar goed ook, want dan zou het er waarschijnlijk nooit van komen. Er bestaat namelijk helemaal geen heilige met de naam Juttemis en dus ook geen feestdag. Tot Sint-Juttemis wachten, betekent dan ook eindeloos wachten op iets wat nooit komen gaat.
Volgens het Genootschap Onze Taal komt de zegswijze ‘sint-juttemis’ voor het eerst in het Nederlands voor in de Kronieken van Roermond uit 1577: “Het sol hun comen op St. Judtmisse” (‘ze krijgen het met sint-juttemis’).
Waar de naam precies vandaan komt is niet helemaal duidelijk. Het zou afgeleid kunnen zijn van het woord jut, een oude benaming voor vrouwen in het algemeen. Zo werd wel eens gesproken van een ‘domme jut’. Het is ook mogelijk dat Jutte is afgeleid van de Judith uit de Bijbel; die heeft echter wel een naamdag (24 maart of 7 september).
Ook is wel eens verwezen naar de twaalfde-eeuwse Gudda van Arnstein. Omdat deze Duitse heilige ook wel Jutta werd genoemd, zou zij dan de juiste kandidaat zijn. Omdat haar naamdag 17 augustus is, is die dag volgens deze lezing de échte dag van ‘Sint-Juttemis’.

Goed, dus ik lees het boek alsnog en met veel plezier. Ik ontdek dat sommige woorden een rijke historie hebben en menigmaal vergezeld gaan van een sappig verhaal. Sommige woorden zijn zelfs stokoud, zoals hiervoor al is duidelijk gemaakt. En wie leest er nu niet graag een story over bijvoorbeeld een hittepetitje? Dat laatste woord gebruikte mijn moeder altijd voor een opgroeiend tienermeisje. Volgens Van Dale betreft het een klein bedrijvig persoontje. Ook wordt er wel een klein paard mee aangeduid.

Een ander leuk woord dat ik tegenkom is: Tararaboemdijee, de titel met een eenvoudig refreintje van een kinderliedje uit de jaren vijftig dat wereldvermaard is geworden. Best een ondeugend liedje voor die tijd. Het spotte met een dominee en ging over zijn achterwerk. Ik vond op internet dit coupletje:

Ta ra die boemdiee
Die dikke dominee
Die had zijn gat verbrand
Al aan de kachelrand.

Maar deze versie is gebaseerd op een straatliedje gemaakt uit 1894. Dat ging zo:

Tarara boemdiee
De blikken dominee
Die schoot met kruit en lood
Zijn arme naaister dood
Nu zit hij in de kast
Al aan een ketting vast
De jongens roepen luid:
Die komt er nooit meer uit.

In de oorspronkelijke versie wordt dus gesproken over een ”blikken” dominee. Deze term werd gebruikt om predikanten aan te duiden die zich niet als een schoenmaker bij hun leest hielden. De volksmond verbasterde ”blikken” algauw tot ”dikke”. Begrijpelijk; er lopen nu eenmaal meer dikke dan blikken dominees rond.
Aanleiding voor dit liedje vormde  een opzienbarende geschiedenis die zich afspeelde in Harlingen, zo lees ik in het Reformatorisch Dagblad van december 2012. Daar was een dominee die niet zo’n florissant huwelijksleven had. Hij zag veel meer in een mooie catechisante, die ook huisnaaister in de pastorie was. Van het een kwam het ander.
Toen zijn echtgenote daar achter kwam, beloofde de predikant de verhouding te beëindigen. Dat gebeurde anders dan verwacht. Met vijf pistoolschoten beëindigde hij het leven van het meisje. Zelf belandde hij tot zijn dood in de cel.

Nu we het toch over misdragingen hebben: ik kom ook nog de woorden hooligans en vandalen tegen. Feitelijk heel actuele zaken betreffende. Daarbij denken we vooral aan voetbalwedstrijden, racistische of fascistische leuzen scanderen, dingen slopen of ander geweld plegen.
Wat ik niet wist is dat het woord hooligan is genoemd naar Patrick Hooligan, een Ierse misdadiger die in Londen omstreeks 1890 actief was met een troep volgelingen.
En de Vandalen betrof een Oost-Germaanse stam die in 429 na Christus onder leiding van koning Geiserik Afrika binnentrok. Bijna tien jaar later hadden ze in Noord-Afrika een koninkrijk gesticht met als hoofdstad Carthago. Daar kwamen als aanvullende veroveringen nog Sicilië, Corsica, Sardinië, Malta en de Balearen bij. In 455 plunderden ze de stad Rome. Hun koninkrijk stortte ineen in de Vandaalse oorlog (533-534), toen keizer Justinianus I de provincie Africa wist terug te veroveren op de Vandalen voor het Oost-Romeinse rijk.

Dit zijn zo maar een paar boeiende woorden, die een inspiratiebron vormden voor het maken van dit verhaal. Ik hoop dat de lezers er net zo van genoten hebben als ik.

  



Comments are closed.